Professional organisor: je vous aime tant!

Ze kwam lichtjes onverwacht maar volgens afspraak langs, keek aandachtig in de rondte, sprak en stelde me gerust. Het was allemaal zo erg nog niet. We zouden dat samen wel oplossen. En oplossen: dat dééd ze.

Ik ben een rommelmens, een chaoot, een wilde boekhouder met geheugenverlies, een goedbedoelende gezelligheidsschepper met teveel ballast in de ruimtes.  En dat werd acuut tijdens mijn verbouwing. Of neen, nà de verbouwing, want toen bleek dat het allemaal niet op orde kwam. En hoe gek het ook mag klinken: ik houd van orde. Orde geeft rust in mijn hoofd en dus werd ik stilaan onrustig.

Maar toen stapte Veronique in mijn leven en ze dirigeerde de chaos in de juiste hoek, terwijl ze niet te beroerd was om de stofzuiger te hanteren, of op een ladder te klimmen om de tekeningen van de kinderen van ooit, lang geleden, van de antieke kleerkast te plukken. Ze gaf handige tips, sorteerde met een stift in de aanslag: alles in een eigen zak, met etiket erop. Zelfs de spullen voor de rommelmarkt kregen een verborgen plaats in een ‘hééé?’ lege kast.

Bijna alles mocht weg van mij en dat was wel handig voor haar, zo verzekerde ze me. Want anderen twijfelen ellenlang of ze dit of dat of wat dan ook willen zien verdwijnen.

Mijn slaapkamer is opnieuw een oase van rust: rommelvrij en dàt terwijl ik geen spullen heb verplaatst naar andere oorden. Alhoewel. De kringloopwinkel en het containerpark mogen mij al snel verwachten met ongeveer twintig zakken. En dan denk ik: waar komt dit vandaan? Waarom kan ik dit niet op mijn eentje?

Heel simpel: ik was het overzicht kwijt en zie nu alles weer helder. Heel simpel. Door de hulp van een professionele organisator die drie uren haar brein door mijn huis liet wapperen.

Als het onoverzichtelijk wordt, kan je iemand vragen om je te helpen. Dank je, Veronique, je bent hier altijd welkom, want we hebben zeer fijn samengewerkt.

Misschien kom ik je wel tegen in mijn zoetste droom vannacht.

Vertrouwde verwondering.

Of ik me dat nog herinnerde? Neen, niet zo goed. En weet jij nog in welke maand tandjes beginnen te leiden tot zeveren, knuistjes in de mond duwen en jengelen? Even opzoeken. Was dat nu ook zo bij onze kinderen? Hoe deden wij dat toen? Zijn alle baby’s zo beweeglijk?

We voedden ‘de onze’ ongeveer gelijktijdig en soms ook samen op. Mijn broer Erwin, zijn lieve Josie en ik aten vanmiddag taart zonder en met suiker, wandelden naar een speeltuin, namen Sol (die zich van zijn charmantste kant toonde) afwisselend op schoot en praatten dertig jaar terug in de tijd met een lachend, zeer content en innemend, als kool groeiend jongetje in onze vertrouwde buurt.

Het was heel gewoon, want we zijn en waren dat gewoon heel gewoon. Maar we vergaten ook een heleboel en dat is maar goed ook. Wat blijft, is de schoonheid van de verwondering. Bij elke lach van hem schoten wij in de lach. In de speeltuin stapte mijn broer haast op dezelfde zotte manier naar Sol toe als mijn zoon dat doet en die hikte van plezier. Even dacht ik: genen zijn verraderlijk of alle mannen zullen dat wel doen maar waarom zit Sol zo vol focus naar de prachtige handgemaakte schoenen van mijn broer te staren?  Omdat Sol’s vader ook een collectie wonderlijk mooie schoenen heeft?

Het was verwonderlijk vertrouwd en ook ontzettend gezellig. Sinds mijn zoon en de schone dochter me een kleinzoon brachten, lijkt het wel of mijn cirkel rond is. Veel komt terug. Veel was verdoken en ondergeschoven tussen de dekens van de tijd. Alles wat ik ooit vol intensiteit voelde, hinkt vooruit, haalt me in en gooit me in een warm bad van liefde.

Mijn broer leerde Sol vanmiddag in de handjes te klappen. Hoe doe je dat nu zo gemakkelijk? Gewoon, met het handenklapliedje, zoals het vroeger ook wonderlijk snel ging.

We hadden een heerlijke middag. De aangekondigde storm bleef uit, de zon lag op de loer, het verleden wandelde naast ons en het heden stond herhaaldelijk stil. Zo’n dagen zijn vertrouwd maar oh zo wonderlijk.

 

Twee keer de eerste keer.

Het was dinsdag, dus Soldag en hij zat flink rechtop in zijn stoel toen ik hem thuis ging ophalen. Ik merkte terecht op dat hij weer zo gegroeid was op een week tijd en op zijn hoofd stonden nu twee blonde krullen. Afijn, met mijn verbeelding aan de macht had hij ineens een volle haardos. Maar rond zijn tandenloos mondje stond er ook iets nieuws van de dag: rode uitslag met enkele gele blazen en daar word ik niet blij van. Omdat tijd mijn grootste voordeel is op mijn werkende kinderen, stelde ik voor aan de schone dochter om even langs de huisarts te gaan en dat vond ze meteen een goed idee.

Toen week ik voor de eerste keer af van onze gewone route: Antwerpen Noord – Groenenhoek en ik hoopte dat Sol het niet allemaal als onprettig zou ervaren. Maar neen: zo dapper en kalm als een krijger zat hij op een kussen in de wachtzaal, overschouwde de ruimte en gedroeg zich vervolgens voorbeeldig onder de spiedende blik van de dokter. ‘Wat heb jij mooie ogen’, sprak die en ik dacht ‘Ja, daar kan je echt niet naast kijken’ en de diagnose was meteen gesteld: ‘krentenbaard’ dus daar smeren we een zalf aan om de bacteriële infectie te stoppen.

Dus togen we naar de apotheek en de mevrouw zei, duidelijk gecharmeerd: ‘Wat heeft die mooie ogen!’ en ik dacht ‘Ja, daar kan inderdaad niemand omheen’ en we hoorden gerommel buiten en vonden dat het ineens wel heel donker werd. En toen reden we door ons eerste knallende onweer. Sol, lekker droog onder zijn regenkap en ik, rennend tegen de gevels aan, maar op een wip compleet doorweekt. Weer bleef hij stoïcijns kalm onder de nieuwe situatie (de luide, bliksemende wereld achter een plastieken venster) en ik was zo opgelucht om weer thuis te komen, dat ik hem toch maar snel op mijn zachtste arm nam.

We keken door het raam naar de zwiepende bomen in de tuin en nu trok hij toch grote ogen: de kat van de buren kwam vlak voor ons langs gespurt en  de verbazing op zijn gezicht legde ik toevallig vast. Maar hij schrok vandaag nergens van en dus ben ik er gerust op dat zijn eerste keren, zelfs al zijn het er meerdere op één dag, allemaal mogen gebeuren en ik bedacht me ook dat hij misschien wel vertrouwen heeft in de wereld wanneer hij in mijn buurt vertoeft. En toen werd ik wel ontzettend warm helemaal binnenin mijn gevoelensstreek en ik heb hem niet meer losgelaten voor de rest van de dag. Dàt is hij gelukkig al wel gewend van mij. Het moet niet allemaal nieuw zijn.

Iedereen in de twijfelton!

Ik ben een krullevaar met drakenpluimen, ik ben verzot op spelletjes, ik houd van mensen die met ons willen spelevaren, ik ben dus al zeer, zeer lang compleet verhangen aan de intelligente zotternijen van ‘De Mol’. Elk jaar denk ik: ‘Neen, nu kunnen ze geen grenzen meer verleggen’, goed wetende dat het in de volgende jaarlijkse versie toch gaat gebeuren, op àlle vlakken, en ik laat me altijd opnieuw vol plezier bij de neus nemen en ik leef mee, ga erin op.

Vervelend detail: ik werk op zondagavond en kan dus uitsluitend ‘uitgesteld’ kijken. Maar onderweg naar huis hunker ik naar het draaiparcours dat me zal meeslepen van zodra ik me in mijn gezellige fauteuil heb genesteld. En vanavond was het prijs, oh jongens, het was weer prijs, want er werd een neologisme op mijn bord gesmeten waarvan ik zo blij werd.

De TWIJFELTON.

Het is een metafoor voor het hele misleidende, kolkende gedoe in ‘De mol’, dat je van je overtuiging doet afdwalen. Want iedereen in het spel zet je op dwaalsporen en je moet het al te vaak toegeven: mollen is uit de kunst!

Spelen is belangrijk. Intelligent spelen is verleidelijk en leidt tot geluk. Je hersens knallen met carnavaleske kleuren tot je er tandpijn van krijgt en toch, toch: je wilt er alleen maar middenin blijven zwemmen.

De twijfelton van ‘De mol’ is mijn fijnste zondagavondgeluk. En ja, ik heb een verdachte. En neen, ik ben nog niet zeker. En misschien, heel misschien kan je een dialectverspreking herkennen in de Mol-zinnen. Of niet.

Spelen is wat ons verbindt. Omdat plezier, verbazing, verwondering en opwinding schaduwen wegduwen. Mensen die niet spelen ontmenselijken zichzelf. Denk ik. En mollen zijn géén konijnen!