Burgerwet.

‘ “Hoe kunnen we in politiek duistere tijden ervoor zorgen dat menselijkheid niet opnieuw een hersenschim wordt?” vraagt Hannah Arendt zich in ‘Men in Dark Times’ af. Ze zoekt het antwoord bij schrijvers als Karl Jaspers, Walter Benjamin en Rosa Luxemburg. Duister wordt de wereld als mensen er geen gezamenlijke verantwoordelijkheid meer voor voelen, zich alleen om hun individuele belangen bekommeren en de politieke sfeer dusdanig wantrouwen dat zij deze de rug toekeren. Het gevaar van een dergelijke depolitisering wordt door Arendt ook wel ‘wereldloosheid’ genoemd, die in haar optiek ‘vrijwel altijd tot een vorm van barbarij’ zal leiden. De vraag is in hoeverre we opnieuw in ‘donkere tijden’ terecht dreigen te komen nu nationalisme en xenofobie de kop opsteken, individualisme en kapitalisme hoogtij vieren en het vertrouwen in de politieke instituties steeds geringer wordt.’

Ik citeer Joke J. Hermsen, wereldfilosofe en schrijfster van het schitterende boek ‘Het tij keren met Rosa Luxemburg en Hannah Arendt.’ (Prometheus 2019). Rosa Luxemburg (1871-1919) en Hannah Arendt (1906-1975) waren beiden politieke denkers die vanuit hun kritische reflectie op het kapitalisme en de moderne consumptiemaatschappij voor meer politieke participatie van de bevolking pleitten. ‘Politieke kwesties zijn te serieus om alleen aan politici te worden overgelaten,’ meende H. Arendt.

We moeten blijvend onze grote denkers herlezen. Want grote denkers voelen de naderende schokken aan die de dingen ontwrichten. Grote denkers zijn daarom ondermeer Grote Denkers.

‘Het tij keren.’ De titel is dringend en eeuwig. Het tij wordt gekeerd door revoluties, door burgers die verantwoordelijkheden zien en nemen, door burgers die hun rechten gebruiken.

Zo kan men in België ijveren voor een Burgerwet. In wezen gaat het om een hervorming van het petitierecht dat al lange tijd in het parlement bestaat. Het geeft elke burger het recht om een bepaald verzoek te doen. Wie erin slaagt om in de drie gewesten samen 25.000 handtekeningen te verzamelen, kan worden gehoord. Eventueel mag daarbij een wetsvoorstel worden voorgesteld. Of burgers dan meteen wetten maken, valt nog te bezien. Uiteindelijk krijgt het parlement het laatste woord. Het is lang niet zeker of ook de politieke vertegenwoordigers het voorgestelde voorstel daadwerkelijk behandelen of goedkeuren.

Maar vandaag lanceerde de PVDA haar najaarscampagne om een burgerwet te kunnen indienen voor een minimumpensioen van 1.500 euro.

En wie deze petitie tekent, neemt zijn burgerlijke verantwoordelijkheid op. Vanuit zijn luie stoel weliswaar: andere voorvechters doen het zware werk. Maar het niet doen is geen optie. Als we het tij willen keren.

 

Advertenties

Bikkelhard verzacht.

Stalen zenuwen in crisissituaties. Bliksemsnel en efficiënt handelen. Een Hegeliaanse Pure Geest bij Grote Ongemakken. Dat en veel meer zijn de doordeweekse eigenschappen van alle ouders. Je parkeert een overvolle winkelkar aan je auto terwijl één zoon met je afhandig gemaakte sleutel een bloedstraal klopt op het kleinere hoofd van een ander kind. En een hoofd, dat bloedt monsterlijk hard. Je rijdt dan zonder verpinken naar een spoeddienst, nadat je nog snel alle inkopen in je kofferbak hebt gekeild, onderwijl de krijsende kleine troostend en de dader in een hoek van de auto vermanend. Diè geeft de eerste uren alvast geen kik meer.

Je denkt daar niet echt bij na: je handelt, omdat direct optreden in zo’n turbulente momenten nu eenmaal vereist is. Zieke kinderen, ook zoiets. Je handelen rond zo’n binnenhuispatiënt vertraagt en valt op een eigen, heel bijzonder ritme terug. Troostend ritme, verzorgend ritme. Maar het leven draait door. Koken, opruimen, huiswerk begeleiden: het behoudt allemaal zijn vaste rangorde.

Maar dan vergeet je dat allemaal weer. Je kinderen groeien op, wonen elders, gunnen jou meer tijd voor andere dingen. Tot er een nieuwe kiem aan je boom ontspruit. Een kleinkind haalt al die uren en uren van bezorgdheid weer uit een diepe put naar boven, wanneer hij onverwacht een ziektedag bij je doorbrengt.

Sol is sterk in extremen: als hij blij is, is hij geweldig blij. Als hij boos is, zoek je best dekking. Als hij ziek is, berg je liefst al je talenten voor zieligheids-empathie op. De normale bikkelhardheid die ik aan de dag kon leggen voor mijn eigen kinderen, die blijkt nu ergens in een ander melkwegstelsel te verdampen. Mijn hart begaf het enkele malen vandaag. De eerste keer toen ik hem deze ochtend in zijn bed legde. Hij bleef liggen! Dat was nieuw. Hij heeft de gewoonte om zonder inhoud een compleet theaterspektakel te geven wanneer je zijn slaapkamer wil verlaten. Luid. Zeer luid en dwingend.

Sol tuimelde meteen in slaap en ik wilde niet wijken van zijn bed. Of ik durfde dat niet. Zou het niet bijzonder gevaarlijk zijn? Sol achterlaten in een hem compleet vreemde staat van ‘willen slapen’?

Natuurlijk niet. Maar ik wilde het eerst niet begrijpen. Of ik kon het niet.

De tweede keer sloeg de schrik me om de ziel toen hij na een dutje van anderhalf (anderhalf? ja, anderhalf) uur in mijn armen weer in slaap viel. Ik rook zijn heerlijke geur die door zijn ziekzijn alleen maar leek versterkt te worden en ik bleef gebiologeerd kijken naar de rust onder zijn gesloten oogleden. Ik luisterde naar zijn gesnurk en reutelende adem en zag ineens hoe het met mij gesteld was. In hetzelfde bedje ziek als zovele andere grootouders: de normale en gewenste bikkelhardheid heeft zich in de volgende sprong van generaties omgevormd tot pure zachtheid.

Maar streng, dat ben ik wel voor hem. Hij doet mijn neen-vinger na wanneer de schone dochter zegt: ‘Sol, dat mag niet’. Hoe zalig, de evolutie en zijn exploten.

Een eindeloze liefde voor het wachten op.

Wat me streelt in het leven, zijn de uitgestelde handelingen. het niet meteen willen consumeren, het niet willen believen van het immediate. Niets is meteen, alles mag eindeloos blijven. Of in de wachtrij staan.

Dat schreef ik net (nou, de titel van dit stukje dan) naar Mie W., die me per post iets zal toezenden, maar, zo stelde ze meteen: ‘Kan wat duren maar sturen zal ik het.’

Daar word ik blij van. Je weet dat er iets naar je toekomt en het zal er niet per terug-flitsende coaxverzending zijn. Want die snelheid, dat is niet des mensen, zolang je niet gedwongen professioneel snel moet wezen. De traagheid van het gewone is iets wat soms verloren en verweesd achterblijft tussen de geprangdheid van het veelal meer en meer als ‘normale’ te snelle mailverkeer tussen mensen wordt beschouwd.

Het staat dan ook voor altijd zwart en wit neer geknuppeld: je scheurt niet vol verwachting een papieren omslag met jouw naam erop, handgeschreven, het speeksel van de verzender onder de postzegel. Je ‘klikt’. Je leest en klikt weer weg. Weg. De brieven en volgekrabbelde postkaarten die ik de laatste vijfenveertig jaar kreeg toegestuurd, dragen zegels met onbegrepen talen erop gedrukt. Ze verdwalen om de zoveel tijd tussen mijn handen, wanneer ik wanhopig op zoek ben naar een woord dat ik kreeg van een dichter. Per post.

Het zal wel zo zijn dat ik stilaan ouderwets word. Ik wil alleen maar verder ouderwetsen.

Omdat ik soms alleen nog denk: alle snelheid mag vertragen. Om mijn hoofd te verzachten wat veelheid betreft. Ik kan het soms allemaal niet velen.

Zo kreeg ik er vanavond een ‘uitgesteld’ en verwacht huismaatje bij. Een katje dat hier misschien of niet tijdelijk komt wonen. Irma ziet me wel zitten en ik haar: tussen de planten en op het Berbertapijt. De kleinzoon zal het zeker ook leuk vinden, want bewegende beelden zijn altijd spannend voor hem. Lang twijfelde ik of ik, na het heengaan van de bijna negentienjarige Misjka nog zo’n verbintenis durfde aan te gaan. (zie: Kaddisj voor Misjka). Maar zoals meestal heeft het uitstellen van een verwachting ook een concreet en treffend doel. Wanneer de tijd rijp is, landt er iets op je schoot dat snort, spint en lekker ruikt.

 

Niet in de Wolk!

Het kan niet, het is niet zuiver en het klopt helemaal met de levensvisie van de zoon en de schone dochter: er komen geen foto’s van wondermooie Sol in de ‘Cloud’. Ondanks de kriebel soms, om wat stoeferig te doen en een afdruk van zijn ogen te tonen, zal ik dat nooit doen. Maar voor alles bestaat Ersatz, en zo heb ik nu de enige echte oplossing.

Enige weken geleden kreeg ik een foto van mijn zoon en zijn zoon, gezien door een echte fotograaf en ik veerde op. Ik herkende mezelf een beetje in de manier waarop hij in de lens keek. Ikzelf meer dan vijftig jaar geleden en ondertussen wat gen-geschommel her en der, maar toch.  Of ik zag misschien wat ik alleen maar wilde zien.

Tot ik de foto doormailde en meteen een berichtje kreeg: ‘Jaja, er zit zeker wat van jou in hem.’ Zijn blonde haren blinken harder dan de mijne, zijn ogen zijn groter en lichter, maar zijn houding tegenover een fotograaf lees ik toch ook in mijn lichtjes bevreemdende, ietwat afwachtende blik.

Sol niet in de wolk, neeneen, u zal het met mij als kleuter moeten doen. Denk dan ook meteen: jongensachtiger, plus beau, plus costeau, en u komt aardig in de buurt van hoe Sol oogt.

 

Zomaar een gele jas?

Ik fiets graag. Je beweegt je in Antwerpen sneller voort met twee dan met vier wielen onder je zolen. Het is een stramme gewoonte, de gebaren die je als vanzelfsprekend in steeds dezelfde volgorde maakt wanneer je je tussen de duizenden andere vervaarlijke fietsers gaat begeven. En het allerbelangrijkste voor mij is: mijn gele windjack aantrekken, of wegmoffelen voor in geval dat.

Vorige dinsdag fietste ik vrij vroeg naar het huis van Sol om hem daar op te halen voor onze wekelijkse speeldag. Vroeg en fris was het, dus trok ik mijn jas aan. Aan het Centraal station werd ik aan het stoplicht getrakteerd op een luid gezongen  ‘Goejemorgen morgen’ van een kerel met een blik Cara pils in de handen. Omdat ik het moeilijk vind om onvriendelijk te zijn tegen goedgemutste personen, schonk ik de man een glimlach en zo kreeg ik er nog een serenade extra bovenop. De mens, ge kunt daar niet aan uit. Hoe vroeger op de dag, hoe menselijker.

Bij mijn zoon aanbeland, trok ik snel mijn jas uit om me te horizontalizeren ter hoogte van de ondertussen zelfstandig rechtstaande kleinzoon. En toen ik mijn jas over een stoel zwierde, zei de schone dochter verrast: ‘Aah, jij draagt zo’n gele jas?!’ Ik keek haar niet begrijpend aan, maar ze verklaarde meteen: ‘Eergisteren op de trein zat er een mevrouw met zo’n gele jas aan en Sol kroop uit eigen beweging op haar schoot, dat doet hij nochtans nooit bij onbekenden.’

Ik weet niet of u al snapt dat mijn hart vol wishfull thinking begon te zwellen. Zo had hij waarschijnlijk niet begrepen dat niet ik, maar een andere vrouw in die gele jas woonde. En dat gaf me voor de rest van de dag het ultieme geluksgetintel. Want ik merk wel dat Sol en ik beste maatjes zijn. Hij speelt hier rustig op zijn buitenmat in de tuin terwijl ik lees en als hij iets te snel aandacht opeist, zeg ik wel eens: ‘Solleke, de Pussa is aan het lezen, speel nog maar wat verder, lief kind.’ En Sol, die doet dat dan. Maar dat hij denkt dat ik er ben wanneer dat niet zo is, gewoon door het zien van een gele jas, dat vind ik wel zeer hartverwarmend.

Soms krijg ik een vraagstukrimpel tussen de wenkbrauwen, wanneer ik denk hoe raar het is, dat we zo goed in elkaars buurt kunnen bewegen zonder enige frictie. Hij kent mijn huis ondertussen wel, kijkt met zijn grote ogen naar de twee steendrukken van Rie Cramer, waar meisjes mooi staan te blozen met emmertjes fruit en melk. Hij wijst naar de lichten boven mijn aanrecht, die we telkens als een klein ritueel aanklikken wanneer  we samen binnenkomen. ‘Kijk, de lichten branden, want Sol is hier.’

Maar een gele jas, die zou iedereen zich cito presto moeten aanschaffen wanneer er een kleinkind onderweg is. Want een gele jas is nooit zomaar een gele jas.

 

Deze bloemen zijn mijn bloemen niet.

Heeft U dit ooit mogen meemaken?

Ik wel!

Een vriendin verjaart maar jij wordt overweldigd. Met bloemen voor haar. En het mooie is: je mag ze houden.

Het gebeurde vorige zaterdag en iemand tikte zachtjes aan mijn raam omdat de melding ‘Baby Sol slaapt, niet bellen alsjeblieft. Tikken tegen het raam is beter. Voor iedereen’ aan de voordeur hing te wiegen in de regenwind. Daar stond Lieve dan, met een prachtig zomerboeket uit haar tuin. Voor Joke, onze lieve Amsterdamse vriendin, die jarig zou zijn en eigenlijk elke dag zo’n boeket verdient. Lieve dacht dat Joke en haar man Jaap bij mij zouden overnachten, onderweg van Gent naar huis en daarom stond ze zonovergoten in de regenbui, op haar fiets, met een bloemenhulde.

Het was een fijne herontmoeting, want ik leerde Lieve kennen via Joke en Jaap en ze woont hier onnozelweg vlak om de hoek. Ze keek geïnteresseerd naar Sol, praatte honderduit met zijn vader, mijn oudste zoon Matthias en even leek het of er alleen maar zachtheid in de wereld was.

De bloemen nam ik niet mee naar de Gentse Feesten, waar Joke een bevlogen dialoog aanging met Dominique Willaert van Victoria de Luxe. Gentse Feesten kunnen ook revolutionair filosofisch en verheffend zijn. De foto van Lieve met de bloemen toverde een stralende lach op Joke’s gezicht en nadien aten we samen snel tevoorschijn getoverde gerechten aan een immens grote ronde tafel.

En dat is waar het op dit moment in mijn leven qua quintessens om draait. Mensen die elkaar vinden, hervinden en beleven. De bloemen zijn een metafoor voor het vieren van de schoonheid hiervan. Ik ervaar zeer veel blijheid en schoonheid dankzij Lieve’s boeket.

Gelukkige verjaardag, Joke Hermsen. Bedankt voor je talent om mensen te verbinden en de esthetiek van de eenvoud te laten klinken.

Gekraakt

Er was de hitte en het gekreun daar omtrent. Maar ik werd geboren op de evenaar en ben gek op hitte. Tot vorige week. Het was genoeg, niet omwille van de hitte an sich, maar om de onnozelheid van een enkele beweging.

Ik was zeer blij dat ik mijn kleinSol twee dagen bij me zou hebben, omdat de lieve dames van de crèche waar hij zonnetje speelt ook vakantie mogen vieren. Maar mijn enthousiasme deed me de das om. Want het ging allemaal zo goed: Sol in de schaduw onder de magnolia, mijn zus, broer en schoonzus die op bezoek kwamen en het lachen en genieten rond dat kleine ventje. Maar op dat ene moment vergat ik mijn leeftijd, mijn gekneusde lichaam en wilde recht veren zoals dertig jaar geleden: een kind op de arm, gewoon rechtstaan zonder nadenken. En daar was de krak. Rug gekraakt. We bleven dan ook gewoon binnen, die hele hete donderdag.

Je wilt zoiets niet en je weigert het ook te aanvaarden. Dus: je banjert verder, af en toe halt houdend wegens adem afsnijdende pijn. Maar zo’n dingen gaan wel voorbij. Altijd.

Mijn lieve collega Denise heeft me tijdens het werk af en toe omhoog getrokken, me bijgestaan, een pijnstiller geschonken en we konden er uiteindelijk nog lacherig mee omgaan. Maar de nachten waren ambetant. Gewoonweg ambetant.

Vandaag haalde ik Sol op, want onze dinsdagen samen zijn heilig, tenzij ik een Ebola-virus oploop of hersengebloed lig dood te kronkelen. Hij was niet echt goedgezind vanochtend, en dat is vreemd. Nogal stilletjes, tot na zijn eerste hazenslaapje. Toen brak zijn ware humeur door en gingen we op wandel. Wandelen is goed voor de rug, dat weet ik van mijn ostheopaat. De pijn was er nog. Het ontkennen is belachelijk, ik geloof namelijk niet in geluksplacebo’s. Maar we wandelden dapper en ik vond het allemaal niet zo vervelend als wanneer ik hier thuis alleen loop te verstarren van de pijnscheuten.

Sol heeft goede eigenschappen, en eentje daarvan is dat hij anderen kan doen opfleuren. Ik ben opgefleurd, en dat betekent iets in mijn huidige lichamelijke gesteltenis. De blondgelokte slaapt nu in zijn eigen thuisbed, en ik loop hier wat krom maar blij te glimlachen.