zachte zorgeloosheid

Hoe geel van zon en stil vol geritsel, hoe makkelijk eenvoudig en eeuwig lijkend aan de oever van een vijver.

Hoe vanzelfsprekend en overmoedig en onherroepelijk voorbijgaand als het water van de rivier.

Hoe een fotograaf zelden het ultieme moment van miserie kan capteren, zo makkelijk is dat voor vluchtig geluk of de schoonheid van voorbij fladderende kinderbenen op het zand van het strand van

Hoe het allemaal en volledig tot herinnering wordt en blijft.

Hoe het voor iedereen terug zou mogen zijn.

Het wapperen met een picknickkleed op een niet eens als te groen herkend grasveld. Het luidruchtig lachen en samen zingen rond een vuur. Het klinken en van elkaars glas drinken. Het in het rond zoenen en liefhebbend omhelzen. Het gewone van uitbundigheid in een dichte kring.

Het kijken in ogen, van zeer nabij. Het proeven van andermans speeksel. Van nieuwe en onbekende huid.

Het knijpen in wangen, het opzij vegen van haarlokken, het wijzen met een vinger tot aan het puntje van een neus.

Oh mocht die zachte zorgeloosheid wederkeren, we zouden er meteen even gulzig en ondoordacht mee omgaan.

Tenzij we het niet fijn vinden dat iemand wil proeven uit ons bord. Dan gingen mijn klokken altijd al inwendig bimbambeieren en nu dan voortaan potjandorie ook nog met een extra besmette gedachte erbovenop.

Oh laat die zachte zorgeloosheid ooit toch wederkeren.

Would it, should it, could it

Een flits uit een spaghetti westernfilm, een pistool wordt getrokken, iemand met een verweesde maar gefocuste blik draait zich om en knàlt. Dood en een oog uit!

Een flits van woede en ingehouden beheersing (jaja), en het aanhoren van iets wat je zo mateloos ergert, dat je denkt te gaan exploderen.

Het kan zomaar gebeuren en je kan het niet verhelpen en je voelt je niet eens schuldig (neeneen).

Het overkwam me deze week en ik wist het van bij de eerste giechel. Die giechel, die HOORT hier niet. Maar weet je, een giechel is maar een geluid en geluiden houden op. Alleen, deze giechel was er eentje met een nooit gezien en ongekend gehalte. De giechel bleef duren.

Duren heeft misschien iets standvastig, maar dit duren was uitsluitend vervelend. Want het stopte niet.

Aanhoudend giechelen op een te zeer luide toon in een museumzaal kan duiden op imbeciliteit. Of op het feit dat je fout bent neergeploft in een vreemde setting. Aanhoudend giechelen zonder onderbreking duidt op iets vreemds. Maar het werkte stilaan, na drie zalen en veertig minuten zodanig op mijn neuronen, dat de sluipende moordenaar diep in mij wakker werd.

Het betrof een jongmens. Het begeleidde een vriendje en samen hadden ze een prèt, een prèt, een pret die geen Bourgondische hertog ooit zal kunnen gevoeld hebben, kijkend naar zijn gebedenboek. Pret die compleet uit de geschilderde Middeleeuwse luchten kwam neergedaald als een meeuwenstront op je nieuwe veelkeurige zondagse hoed.

En toen betrad ik een kleine ruimte, geschikt voor één bezoeker en ik hoorde de giechel naderen en al mijn zenuwen kregen een knalrode kleur en toen het jongmens wilde binnen komen, zag hij hoe ik me omdraaide en hem met een blik van honderdduizend bommen en granaten aankeek. En hij verstomde.

Eindelijk.

Want een blik die het verleden beschermt tegen onnozelheden, heeft heden ten dage nog steeds enig effect.

PS. Gaat dat zien, gaat dat zien: De librije van de hertogen van Bourgondië. In het nagelnieuwe KBR. Lang leve de kerels van de Coudenberg!

Sjjjt.

Roekers en Lakkemansen

Vanaf mijn zestiende, omdat het toen eindelijk wettelijk kon, zwaaide ik de zondagse scepter (met veel branie en plezier) in een reeds lang verdwenen Patisserie in de Abdijstraat. Vanaf de eerste minuut daar vermoedde ik gewoon genetisch belast te zijn met middenstandersbloed en het ging me zo goed af, dat ik af en toe nog in de rol kruip van ‘Mag het een beetje meer zijn’.

Na enkele jaren leidde ik de nieuwelingen op, want de broodjes, die vlogen daar over de toonbank, de vliegende schotels achterna. Als ik ergens kokos-rochers zie liggen, moet ik nog altijd lachen: zo verraderlijk, zo lekker en zacht en slecht voor de tanden. ‘Ons madame’ schreef met een wijdkrullerig handschrift de namen van taartjes en koeken op plastieken bordjes, die we bovenop de vol gestapelde koperen plateaus plantten. En tijdens de rondgang bij elk nieuw kind liet ik haar hardop lezen wat er geschreven stond en vroeg haar dan ook of ze wist wat de ingrediënten waren. De ogen van versgebakken kleine Brigitte versmalden tot spleetjes toen ze zei: ‘Dit zijn dan de roekers’. En ik was toen al zo stout dat ik haar niet corrigeerde. Elke keer wanneer ze klanten probeerde Diets te maken dat het roekers en geen rochers waren, werd mijn zondag nog leuker.

En zo gaan rare verlezingen een eigen leven leiden, tot op de Sinksenfoor toe, waar de smoutebollenkramen ook wafels en Lakkemansen verkopen. Want elk vriendje dat ik mee nam naar het reuzenrad en dat niet vertrouwd was met een Désiré de Lille winkel annex tearoom, liet ik de lijst van lekkernijen hardop lezen en het kwam elke keer weer naar boven: ze wilden geen Lackmans, maar vijf Lakkemansen voor 100 frank. Ik liet ze het ook zelf bestellen, likkebaardend bij de gedachte aan platgebakken wafels, gevuld met ahornsiroop en de geur van lavendel.

‘Voor mij, ne Lakkemans alstublieft’. Ik dacht daar altijd in complete stilte bij: ‘Zeker dat ge gene roeker wilt?’.

Vroeger, ja vroeger

Ken je dat gevoel, zo ’s ochtends na het uit bed krauwelen en dat je meteen voelt dat je ogen pas opengaan als ze voor de spiegel zullen staan? En dat je schrikt, want je ziet niet de reflectie van de persoon die je voelt of denkt te zijn? En dat je ziet hoe je handen langs je oren strijken, alle rimpels wég en dan zeg je pas: ‘goedemorgen’ tegen jezelf?

Ja, ja, ja.

Soms hang ik de flauwerik uit tegenover mezelf en neem ik het onnozele spreukske ‘Ge zijt zo jong als dat ge u voelt’ als kut-uithangbord van mijn ochtendlijke overpeinzingen, want ik voel me dan altijd meer dan negenentachtig jaar!

Beneden in mijn salon staat een kadertje, zo’n ouderwets houten ding, dat we vroeger in de Sarma kochten. Maar ik sta er middenin en ik glans. Ik ben, maar echt, zo schoon, mooier heb ik mezelf nooit durven te dromen.

Vroeger, ja vroeger. Toen.

Toen dacht ik een doordeweekse weegbree te zijn, een niemendalletje in een berm langs een Zomaar-Stroom.

Toen was ik meer dan wat ik nu dacht te zijn door wat ik voel als ik enzovoort

Vroeger, ja. Vroeger was het naturel om mooi te zijn en dat vliegt weg met de jaren. Vroeger, toen stond ik er niet eens bij stil.

En nu?

Wil ik terug naar vroeger?

Ahneen, dat is natuurlijk maar een illusie. Toch is het mooi om er van te dromen.
Neen, ik laat niet in me snijden om die rimpels weg te trekken. Ik spaar mijn snij- en narcose-momenten voor levensnoodzakelijke ingrepen. Die onherroepelijk aan de deur staan te wachten.

En bovendien: de wet van de zwaartekracht spaart geen portemonnee: na een tijdje gaat alles toch weer hangen, maar dan in een onnatuurlijke kramp. Zodat je overblijft als een clown van je eerdere ik.

Dus morgenvroeg sta ik voor mijn spiegel. Ik zie mezelf dan weer zoals ik denk te zijn.

Mezelf dus.

Zoals ik ouder word, met kleine minpuntjes op het scorebord van de jeugdigheid.

Maar zeker mezelf. En dan knipoog ik met glans.
Naar mezelf.

Digitaal feesten.

Vroeger zou ik er misschien met een lachje en schouderophalend afwerend op gereageerd hebben. Omdat we in onze straat op een simpele, makkelijke en spelerige manier met elkaar feesten. En omdat we de vorige keer de stormwind die onze tent omver blies als het ergste kwaad beschouwden.

We gebruiken wat we hebben: een prachtig plein met oude bomen, een zanderige vlakte eronder, elkaar, wat pastis en de muziek van onze ‘huis-dj’. Franse chansons, pastis, enkele pétanque-stellen en de rest loopt als een vaartje.

Het mocht niet plaatsvinden dit jaar.

Dat vonden enkelen van ons te zot voor woorden. Dus broedden we op een alternatief en dus vonden we het ook.

Drie wijnvergaderingen en gebrainstorm verder hadden we een compleet Covid-veilig evenement op poten gezet. Wij hadden er zin in en de respons was veelbelovend.

We zetten iedereen op een verkeerd been, lieten hen in de waan van onnozelheid, maar we wisten verdomd goed waar we mee bezig waren.

Het verliep ontiegelijk beter dan we verhoopten. Onze ‘opdrachten’ zetten heelder huisgezinnen in complete rep en roer. De foto’s die op onze Whats’app groep binnenstroomden, werkten stante pede op ieders lachspieren.

Maar het enthousiasme, de ijver, de competitiedrang ook, deden hun werk.

Dit was een geweldige dag. Ik zag een familie die op maat van de Gulden Snede een discuswerpers-groep uitbeeldde via een rare houding op het gazon. Schotels met bizarre aperitiefhapjes die niemand ooit wil eten, maar er voor de foto vlotjes binnen schoven.

Er waren twee winnaars, maar we hebben allemaal gewonnen. Gewonnen van de flegmatieke houding tegenover het abnormale normale. Er werd gelachen, gerend, geroepen, gekookt, gebazeld en geschreven.

Want de laatste taak betrof het schrijven van een slogan, gedicht of rijm.

En dààr viel ik me toch ploef van mijn elegante pouf! Wat een creativiteit en durf om met woorden te jongleren. Mijn buren straalden zeker evenveel als voorheen.

Neen, ze zullen ons niet temmen!

Jamais.

Hoe schoon op de wereld

de zomerse hei? Durft u dit nog glimlachend zingen rond een kampvuur of hangt u sinds een tijdje te dobberen in de mestpoel van negativiteit? Ik zing het lied sinds lang niet meer, maar het was ooit op aarde wel de hemel voor mij. In ons buitenverblijf aan de rand van de Kalmthoutse heide leek dat ook alleen maar normaal.

Neen, het is niet tof, vet, fak, leuk, plezant of zelfs ‘normaal’ wat ons overkomt. Maar laten we proberen om ook nog te leven.

Gewoon een beetje naar binnen buigen en de zegeningen tellen die ons komen helpen.
Deze tweede golf dirigeerde me als hoge risicomens onverbiddelijk weer naar binnen. Maar laat ik nu niet geneigd zijn om depressief te gaan lopen vingerwijzen. Of te gaan zitten tobben onder mijn magnolia.

‘Tob niet, alles loopt toch anders’

Wekelijks komt mijn grootste zegening een dag huppelen in mijn huis en het samen lachen om de onnozelste dingen drijft mijn energiepeil weer héél vet de hoogte in.

Vandaag hielp ik mijn praatvaarkleinzoon Sol met toveren. Hij liet maïskorrels ploffen in een pan met glazen deksel en het eerste wat hij zei was: ‘opeten’. We maakten soep in de wonderpot, bliezen reeksen bellen met een breedbeeldmachine van niet eens een euro. Hij werd extatisch blij als hij een bel weer kon opvangen en twee seconden langer laten blinken. Wanneer ze geluidloos uit elkaar spatte, schaterde hij van de pret. Keer op keer op keer. We togen naar het plein voor de kerk om naar het luiden van de klokken te luisteren. Hij zat zo stil als een monnik zonder hardop de slagen te tellen, maar hij zong nadien wel van Bim Bam Bom.

Hij leert me alles opnieuw te bekijken, die kleine. Zolang ik rustig in mijn bel blijf rondwaren, blijft hij me bezoeken en verblijden.
Vandaag hàd hij het niet meer toen ik opsprong nadat hij aardbeiensap op mijn jurk morste. Ik zei ‘Ajaj, lap! op mein kleidche’ en hij schaterde het uit. Hoe het kan dat die kleine het plezant vindt dat ik een kleedje een kleidche noem (zo noemden mijn Joodse klanten bij Princess allemaal een jurk en ik pikte het gewoon van hen omdat het mijn oren dagelijks prikkelde), weet ik niet, maar hij lacht wel vaker om mijn flauwe woordverdraaïngen.

We hebben plezier gehad. Zachte binnenpretjes van ons twee alleen (over Mevrouw Irma, de kat). Puur geluk om kleine en daardoor grootse dingen.

Ik zucht niet. Hier thuis mag ik luid zijn en de eenzaam uit elkaar spattende zeepbellen klinken zo mooi als zijn borrellach en de plofmaïs.

Stomme dierentuin!

Ik wandelde als kleuter zeer vaak tussen de ijzeren boogjes die overal in de grond geplant stonden in de Antwerpse Zoo. Met Tante Jeanne, de tante van mijn vader. Ze droeg altijd apennootjes in een papieren zak bij zich, die we toen nog lustig in het rond mochten zwieren bij de olifanten (ze slurpten ze van mijn bange handpalm). En ook de droge witte boterhammen die de moemoe (haar inwonende moeder) had verzameld na een week ontbijten, voederden we aan de met hun immens grote koppen slingerende slurfbeesten die roken naar weet-ik-wat.

Ik denk dat ik als kind vaak maar wat figureerde in die wereld. Het overkwam me veelal allemaal maar ik zag overal wel het zonnige door schijnen.

Als lagere schoolkind bezocht ik die dierentuin op herfstigere momenten en dat kon me nooit boeien. Alleen het dolfijnenspel met truukjes en aangeleerde bezoeker-pleasers vond ik geweldig. Maar dat mag allemaal niet meer natuurlijk.

Mijn drie zonen waren en zijn dierenvrienden en we hadden natuurlijk een familie-abonnement: alle Europese dierentuinen hebben we bezocht en ik genoot van hun spel en gekrijs en verrukking. Maar ik figureerde weer zo’n beetje aan de rand van de buggy. Het zat allemaal nog steeds niet op de juiste plaats.

Nu wandel ik sinds enkele maanden die beestentuin weer vaak binnen omdat ik opnieuw een abonnement heb. Het is de tuin van Sol: hij woont er om de hoek, hangt er wekelijks rond alsof het zijn eigen hofje is en als ik hem meeneem naar zijn privédomein, staat hij al een uur van tevoren te springen als een zot stokstaartje. ‘Pussa! Dierentuin gaan!’. Ja, lievik, dierentuin gaan.

Die voor mij zo oude en vertrouwde en voor hem zo al eeuwig en altijd aanwezige dierentuin ruikt nog steeds even ranzig op dezelfde plekken, maar begint me na zestig jaar en meer eindelijk echt te boeien. Want eigenlijk vond ik het als kind nooit echt heel ‘plezant’ in die Zoo. Omdat ik geen toegang had tot wat anderen heel normaal vonden. Er waren bij ons thuis vroeger namelijk geen franken op overschot om een ijsje of een drankje te kopen en mijn ogen staan nog steeds rond van de goesting als ik er binnenkom.

Nu wals ik met mijn kleinzoon langs de koala en de twee voorhistorische neushoorns, keer om langs het giraffenhuis en stap het restaurant binnen voor een cappuccino en een sapje. Zonder nadenken, en dat is misschien geheel terzijde van de dierenbeleving, maar wel zeer geruststellend. We hebben ‘ons plaatsje’ op het terras daar en ik voel me eindelijk eindeloos gelukkig.

Hij kwettert als een papegaai en zegt: ‘Pussa nu koffie drinken’ en mijn hart wordt zo glad als zijn Alpro-puddinkje. De dierentuin is niet meer stom. Ik kom er nu wél graag. De toegang is open. De bloemen zijn kleurig en de dieren nog steeds gevangen. Maar alles is vrijer en mijn ene voet zet zich voor de andere met gemak.

Een dierentuin kan ook gemakkelijk zijn.

Schaduwzomer

Waarom steeds weer en altijd te hevig en even onaangekondigd als een gierzwaluw die dood neervalt in je soep tijdens zijn gestopte slaap.
Waarom de herhaling van het haperen en de eindigheid van het samenzijn en het opbergen van hoop.
Waarom de schijnbaar onvermijdelijke einddatum van relaties en de deur die sluit met schrijnend gekerm.

Waarom de overmoed bij aanvang en het geloof in beter, steviger, altijd en verder.
Waarom de menselijkheid in mineur en grandeur en het rechtop krabbelen zonder weerga.
Waarom de verbazing na afloop om het verdwijnen om de hoek van het eerst zo geënte.

Geen vragen zonder antwoord. Geen nood aan duidelijkheid. Panta rei.

Ik denk dat ik nog een poos heerlijk alleen verder wandel. Met voldoende compagnons de route naast me.

Niet meer maar zeker niet minder.

Vuurtafel

Milennialang koken laat zijn sporen na. Zo’n sporen doen soms mijn ogen wapperen en zo weidde ik gisteren een Marokkaanse kanoun in, gekregen van een vriendin die vaak door Marokko reist, me er eentje overhandigde na een lang verblijf bij haar Berbervrienden, maar die nog steeds wachtte op het juiste momentum om in werking te treden.

Mijn kanoun werkte beter dan ik het had durven te dromen. Ik plaatste hem vlak naast een prachtige vuurtafel. Gemaakt door vaardige mannen- en vlijtige kinderhanden. Klei kneden, graszoden uitspitten, balken aan elkaar sjorren, opstapelen van stenen en die dan kunstig bekleden met pakkend, plakkend leem. Het zag er gewoon waanzinnig mooi uit.

Van zo’n kolkende passies word ik eindeloos blij. Omdat puur vuur dat sinds oudsher slim wordt gebruikt nooit kan overtroffen worden. Het voedsel dat er op bereid werd, smaakte beter dan we dachten…

De opstijgende kreten ‘aaah!’ ‘wat is DIT lekker’ ‘heerlijk’ ‘Ik wil dit recept!’ en nog veel meer maakte dat ik rustig werd. Want ik heb toch een beetje stress als ik probeer te doen alsof ik werkelijk kan koken. Leentje durfde te bekennen dat ze eerst sceptisch was maar nu helemaal overgeleverd was aan deze heerlijkheden en dat ze er blij van werd.

Zo kook ik me soms binnen in de harten van mensen.

De vuurtafel, daar had ik geen enkele verdienste aan: die stond al te schitteren toen ik arriveerde. De smaken in de tagines, die wist ik dankzij veel uitproberen en proeven door de magen te zwieren en ik moest heel hard lachen toen één man bekende: ‘als ik geen lief had, dan wist ik het nu wel’.

Eten verbindt, als de wetten correct worden aangewend met een grote snuif gevoel en een ingehouden dramatisch gebod aan de gecombineerde smaken van: ‘Nu is het aan jullie!’ erbij.

Een vuurtafel kan ik niet bouwen, daar is samenwerking voor nodig, maar die sociale vaardigheid leeft volop bij sommige mensen in mijn omgeving.

Je moet wel eerst gaan kamperen in een stil natuurgebied. Zonder enige vorm van luxe. Met veel tijd. Zonder enige dwang. En met groeiende honger. Naar veel vriendschap in alle luchten rondom.

Een laatste

Een laatste afwasmachine draait en niet eens zo lang geleden gebeurde dit puur handmatig. Rustig en traag en kalm en in vrede.
Een laatste Bach-prelude waait langs en dat is altijd zo geweest.

Want morgen is de rust aan vervanging toe. Dan is er gekletter van gepraat. Gelach zonder muziek vol helderheid.

Het achterlaten van het huis doet steeds een beetje pijn. Omdat mijn huis mijn toeverlaat is. Al zwerven er drugdealers rond ons plein: die worden toch nergens beter van.

Een laatste keer de ramen sluiten, de ramen die altijd open staan. De kattenbak verversen en het brokjesmaal voor enkele dagen klaarzetten. Water in overvloed en de postbode, die gaat me niet aantreffen.

Wat laat een mens achter, na de laatste handelingen?

Daar ga ik weer eens over reflecteren. We laten uiteindelijk niets achter, denk ik soms. Hetgene wat we zo belangrijk vinden, blijkt bij de afrekening maar een bagatel.

Dat is een hele geruststelling.

Het laatste is nooit het eerste van belang. Het is een komma. Niet eens een kommapunt.

Het laatste is de bodem van de ziel.
Het waait.
Het verdwijnt en keert soms weer.

Zelfs wanneer we er niet op hopen.