Tranen om hervonden gemis

Je bent geweldig blij, na 16 dagen quarantaine? Jaja en zeker ja. Geen spatje aan de keellucht, uitgerust in een fris gepoetst huis, boeken opgediept en de kelder opgeheven in een nieuwe zorgvuldige herschikking. Recepten van Ottolenghi uitgeprobeerd, pikante tagines geproefd en nog steeds geen zilte tranen.

Tot HIJ me belde. Met een blik, zo fris als een Botticelli-schuimzee. Zijn ondertussen gegroeide haar en zijn lieve glinsterende lachje. En ook zijn aandacht en het getwijfel (is ze er of is ze er niet?) en dan: zijn handen die zich naar me uitstrekken om me aan te raken.

Toen borrelde er iets in me op dat ik heel lang niet had gevoeld. Het huilen om gemis. Want missen, dat overkomt me quasi nooit. Maar nu, na dit vrij lange telefoongesprek, nu heb ik als een kleuter staan huilen onder mijn magnoliastruik. Want hém mis ik zo ontzettend diep, hem wil ik het liefst van al gewoon nog elke week gaan ophalen om een dag samen alleen met mij door te brengen.

Met de tranen, ook de blijdschap. Dat hij me onmiddellijk herkende en naar de kat vroeg. Alle katten in de wereld zijn Irma’s voor hem. Irma zelf laat het gemis niet zo in haar pels neerdalen. Die gaat gewoon wat buitenspelen zonder die kleine krullevaar die haar continu belaagt op doordeweekse dinsdagen.

De dinsdagen zijn niet meer doordeweeks. Niets is dat nog.

De doordeweeksheid is een verdwenen goed dat we allemaal hebben verkwanseld door onze geglobaliseerde hoogmoed. Mijn lieve vriend Jaap (Kruithof) zou het Sol wel allemaal duidelijk uitgelegd hebben. Maar zonder hem en zonder de vanzelfsprekende doordeweeksheid gaan we alles samen moeten herdenken. Tot we hopelijk een oud ‘normaal’ kunnen herinvoeren.

Huilen om gemis. Ik was vergeten hoeveel deugd dat doet.

Lieve Liesbeth List.

Haar stem vertelde meer dan noten kunnen opvoeren. De eenvoudige waarheid dat ze een zeer intieme band had met Ramses Shaffy, de regenboogkleuren die ze over mijn jeugd heeft gestrooid, dit alles en nog veel meer, ook het feit dat mijn vader haar ooit letterlijk ‘een vreselijk domme vrouw’ noemde (wat mijn vermoeden bevestigde dat hij Cees Nooteboom niet alleen benijdde om zijn literaire merites), heeft me nog meer voor haar ingenomen dan een doorsnee mens.

Ik belandde ooit op een afterparty in haar directe inner circle, ergens in een hotel in Nederland waar je na 23 uur geen wijn meer kon bestellen aan de bar en je dan maar bij elkaar op de kamer kroop met buitgemaakte flessen. Ze zong toen samen met Jo (Lemaire) en met Jo deden we dat wel vaker, maar dan wel met een doos Trivial Pursuit erbij. En oesters en zo.

Ze was zo klein en zo zwaar gemake-up’ed, dat ik mijn ogen nauwelijks van haar kon afhouden. En zij kon haar ogen niet van mijn toenmalige man houden en ze begon hem zonder pardon te versieren.

Maar dat mocht ze van mij. Ik vond het vermakelijk en ontwapenend en kwetsbaar en mijn toenmalige man, die flirtte lustig terug. Ze had wat mij betreft mogen verkondigen dat ze de formule van de atoombom had verkocht aan Mao: zij mocht van mij àlles, omdat ze de zangeres van mijn ziel was, is en zal blijven.

Lieve Liesbeth List. Lieve Liesbeth. Lieve.

 

Geilheid in Coronatijden.

Duiken zonder luchtfles. Racen zonder veiligheidsgordel. Geil ronddaten in Tinderland.  Nu. Er zijn nog altijd sujetten die daar op kicken.

Het zal wel lijken op wurgseks of extreme spelletjes in orgasmebondage. Zonder condoom is een surplus. Come and join the ride!

We zijn allemaal geile beesten. Iedereen houdt van spanning, avontuurtjes, opwindend voorspel. Het houdt nooit op, die molen draait altijd.

Tot hij stopt.

De molen is gestopt. De kermistijd is voorbij. Sta aan de kant en kijk toe. Toe.

Doe het. Doe het alleen nog met de vaste partner in je thuisbubbel. Doe het niet als je die bubbel moet verlaten. Klop op je kin. Dat werkt ook. Wanneer? Geen kip die het weet.

Stop met die Russische roulette en heb je leven lief. Maar ook dat van al die anderen, al die kutzwagers en onschuldige omstaanders die je mee kan besmetten.

Gewoon: het schuinsmarcheren en je geilheid opsouperen staat even in de vriezer. Omdat dit virus geen agenda vreest. Tenzij je wil dwalen in de domheid van hubris en de waan van onaantastbaarheid, dan klik je je gordel maar los om compleet los te gaan.

En dàn, dan sleur je een hoop mensen mee in pijnlijk lijden. Jezelf op kop.

Maar echt. TOE. Doe het niet.

 

Afstand is het nieuwe normaal

Dinsdag en zon en late namiddag en geen Sol in de buurt. In betere tijden neem ik hem ongeveer rond dit tijdstip bij de hand om naar de auto te wandelen, naar zijn mama te rijden en eerst nog te zien hoe flink en kordaat hij door mijn straat stapt om naar de vogels te luisteren. Oh wat houdt hij van vogels en dieren. We wandelen altijd zeer dicht naast elkaar. Heel soms neem ik afstand en kijk ik naar hem. Gewoon. Omdat dat zo mooi is om naar te kijken en onze straat bijzonder verkeersluw is en de vijf bomen op ons plein de illusie wekken dat het leven alleen maar bestaat uit: in de buurt van een kleine prins wandelen die naar vogels zoekt, onder prachtige oude bomen en zonder loerend gevaar.

Waar zit dat loerend gevaar, kan je je afvragen maar je hebt geen antwoorden, tenzij: het is tijdelijk, ernstig en niet weg te wimpelen met egoïstische bezwaren. We zijn van elkaar gescheiden en dat is niet fijn. Ik mis zijn klaterend getater en zijn zuivere blik, zijn enorme eetlust die mijn kookwerk meer dan eer aandoet, zijn gedans, zijn liefheid tegenover mij, zijn parmantige gebaren, zijn herschikken van mijn keukenplanken. Zijn zingen. Zijn zijn.

Hij belt me elke dag. Maar ik moet zijn zoete geur erbij fantaseren. Dat kan ik als geen ander. Hij luistert ‘als versteend’ (dixit de schone dochter) wanneer ik voor hem zing en zegt dan ‘olifa’ ‘broccoli’ ‘Puppa’.

De schrik dat hij me in mei niet meer zou herkennen is belachelijk. We herkennen elkaar van op drie continenten ver. Zo is mijn exuberante zottigheid toch nog voor iets goed: hij lacht zo vaak om mijn onnozele grappen dat ik er zelf blij van word.

Bijna een week in quarantaine begint een lichte tol te eisen. Gisteren stapte ik in mijn auto, gewoon, om een beetje rond te rijden en iets anders te zien dan mijn huiskamers. Dat ging vlot: geen kip op de baan. Terug thuis hield ik bijna afstand van mezelf. De vrienden zijn ver. De kinderen onaanraakbaar. De winkel een vreemde, te mijden plek.

Die afstand, nu, tussen onszelf en de wereld is een spiegel. Ik keek al zeer lang geleden in die spiegel en werd op hoongelach onthaald toen ik mijn bekommernissen uitte. Ik wist: dit kan niet blijven doorgaan, dit moèt ooit ontploffen. Zo keerden we na drie weken vakantie in een afgelegen dorpje in Toscane terug naar huis, nu toch alweer 25 jaar geleden. We stopten voor een maaltijd in een ‘Lunch Garden’ in Wallonië en mijn kinderen waren in shock. Die overdaad aan gerechten, warm, koud, desserten, soepen bracht hen in de war. We liepen de vorige weken de berg af naar het kleine winkeltje van Lecche en daar kocht je wat er voorhanden was. Uit de streek. Het normale normaal. Die berg voedsel die nooit zou worden geconsummeerd maar wel vadsig lag uitgestald, kromde mijn maag in een gevoel van walging.

We zijn te gulzig, te gewoon aan het ongewone, te ver van het dichtbije.

Het is goed om gewoon te zijn. Te eten wat hier groeit. Behoeftes of verlangens uit te stellen. Dan is er weinig afstand in je wereld. Wanneer afstand het nieuwe normaal wordt, crasht de planeet.

 

Wuiven aan de laptop.

We zitten nu enkele dagen hier binnen, mijn kat Irma en ik. Ze snapt geen jota van mijn inhuizigheid en ik werk haar soms een beetje op de zenuwen. We hebben al een tochtje gemaakt naar de zolder: daar bevindt zich een schat aan opgeborgen spullen alsook conserven en droge voeding (kassa vijf, kassa vijf). Neen, ik waag me niet meer in supermarkten en heb besloten van de nood een deugd te maken. Alles wegwerken wat hier nog rondslingert van droge bonen, spliterwten, Soubrydozen pasta en hé kijk, een vergeten fles Gin.

Het is onwezenlijk maar noodzakelijk. Dacht ‘gehamsterd’ te hebben met mijn pak beschuiten, tien brikken melk en 24 rollen toiletpapier. In een onbewuste impuls griste ik nog instant soepjes, TUC koekjes en een netje uien mee vorige week. Olvarit fruitpapjes maar die zullen niet geopend worden, want Sol komt niet meer naar de Groenenhoek voorlopig.

Net nu hij zijn eigen versie van mijn familiaal koosnaampje (Pussa) uitroept. Hij doet alles op zijn heel eigen wijze en noemt me zeer overtuigd Puppa. Ik denk dat ik eigenlijk al altijd een Puppa heb willen zijn.

Hij belt me dagelijks en ik zing dan zijn liedje voor hem. ‘Wie is er hier het liefste kind, en wie is er op zijn Pussa altijd supergoedgezind? Dat is het Solleke koetipee, van de koe, van de koe, van de koeti koetiPEE) Hij kent het maar al te goed en brult op het einde al OE PEE. De koetipee’s van onze familie zijn mijn schatten en ik noemde al mijn zonen zo, van kleinsaf.

Vandaag is het zondag en overal zeer rustig, behalve in de parken en openbare tuinen. Mensen trekken naar buiten, de luchten in, met zicht op de anderen maar zonder aanrakingen. Zonder de Westmalle Tripel na de wandeling, want: geen café is nog open.

Maar we hebben er nood aan om anderen te zien en als dat niet meer rechtstreeks kan, doen we het via de middelen die we hebben. A la guerre comme à la guerre.

Jonge vrienden van me vroegen me om te ‘videochatten’ via Facebook en hielpen me op weg. Alles wat ik hoefde te doen was: op de knop ‘aanvaarden’ klikken én mijn camera vrij maken van de klever. We hebben lang zitten babbelen en grappen en Simon kon nu eindelijk ook mijn nieuwe keuken zien. De risotto die ik voor hem en Stien wil koken staat on hold, maar zal des te lekkerder smaken wanneer we terug kunnen bewegen rond elkaar.

We zijn kalmer omwille van gevaar. We hebben overschotten van tijd door de dreiging. We komen niets tekort, behalve een knuffel na een theatervoorstelling. We tellen onze zegeningen en hopen op het ontkomen aan het onheil.

Help elkaar, zorg voor elkaar, schrijf elkaar brieven, videochat er op los, ga wuiven naar onze bejaarden aan hun ramen in de rusthuizen, eet uw droge voeding eindelijk op en blijf uit elkaars onmiddellijke nabijheid. Voetje geven, elleboog kruisen, wuiven aan de laptop.

 

 

Het schoorvoetende bijna veel te laat.

Je hoort en ziet ze hier en daar nog: de lacherig bedoelde kuchjes met de bijhorende zegevierende blik van: ‘Mij gaan ze niet hebben, de virussen.’.

Je voelt aan je tenen dat het menens is, reeds vanaf het moment dat de in Rome wonende dochter van de vriendin waarmee je onlangs nog zorgeloos mee in Cyprus rondreisde, het hazenpad nam uit de hoofdstad om bij haar lief te gaan schuilen. In zijn bioboerderij op het Umbrische platteland: ik zag haar foto vandaag met een verdwenen zonnestraal uit het landelijke ochtendgloren op de achtergrond.

De zonnestralen blinken in mijn tuin, maar ik plaatste me sinds deze ochtend op aanraden van mijn arts in raadzame opsluiting. Ging nog snel hamsteren, wat ik een vreselijk iets vind sinds de oorlog in Korea, lang geleden. Maar ik wil mijn achterwerk niet schoonvegen met iets anders dan wat papier, neen, echt niet. Misschien komt er ergens een situatie waarin dit ook allemaal bijzaak is. Maar nu nog even niet.

Een diabetes-delende vriendin zei me onlangs: ‘Als het ooit oorlog wordt, gaan wij mee als eersten dood.’. Het gaf me een schok toen, maar wist dat er waarheid schuilt in die woorden. Want je hebt insuline nodig, naaldjes, testinstrumenten. Maar we hebben allemaal wel allerlei nodig en wanneer er tekorten loeren om de hoek, wordt het vies.

Laten we alsjeblieft nièt meer lacherig doen over deze pandemie. Laten we alsjeblieft luisteren naar de woorden van experten en niet onnozel doen. Laten we onze verantwoordelijkheid nemen en niet op bezoek gaan bij baby’s en ouderen. Want wij kunnen hen misschien op de trein naar het oneindige niets sturen. Of ja, zij ons, kan ook. Solidariteit krijgt een belangrijke draagwijdte dezer dagen.

Ik heb geen enkel vertrouwen in onze regering, die veel eerder en veel doortastender had moeten reglementeren zonder dat we enig vertrouwen in hen zouden moeten hebben. Gewoon: omdat zij dat moeten doen. Zonder pardon.

Het is zoals met alles in dit leven. Veel is afhankelijk van het toeval van de momenten waarin we ons bewegen.  Maar vertrouw niet op het ‘gezonde verstand’ van de anderen. Want we zien dagelijks dat het daar pandemisch slecht mee gaat.

 

 

 

Een haar, een windvlaag en een boek

Dan, ineens, herinner je je haren, enkele windvlagen en een enkel boek bij een gammel boekstandje aan de Seine. Je was zo amper maar achttien en heel arm maar begerig en je kocht dat boek met je bijna laatste Franse francs. Want de gravures waren weergaloos mooi en nooit te weerstaan en de naam van de auteur deed je haren wapperen.

Je wist ter plekke: ’t is onnozel en te gek voor woorden. Maar: ik ga dit doen. Ik ga dit niet kunnen laten. Emile Zola is veel te schoon om te laten vergaan in een vergeten wind op een avond dat. Dus grijp je in je tas en je blijft nog twijfelen binnen de zekerheid en dan glimlach je breeduit naar een paar ogen die  je begrijpen en je weet, je weet, dat jij hier staat om dat boek te mogen kopen.

Kent u dat? Dat moment?

Dat moment dat je iets ziet dat stilstaat in de tijd maar dat zeker heeft liggen wachten op dit moment?

Dan verstaan we mekaar. Ik had het na die keer in Parijs nog vaak. In Rome, bij kunstig beschilderde eieren. Bij gesprekken die Babylonisch waren, omdat de (ja, zeer mooie) man die ze verkocht uitsluitend Italiaans praatte. In Fiesole, de dag dat Anwar Sadat werd vermoord, en ik meende een daad te moeten stellen en ik mijn laatste lires gaf aan een replica van een Romeinse olielamp. Op zovele plaatsen, op zovele verwaaide momenten.

Waaien is goed. Verwaaien misschien nog beter. Maar overdenken en daarbij kunnen glimlachen is zeer goed.