Een laatste

Een laatste afwasmachine draait en niet eens zo lang geleden gebeurde dit puur handmatig. Rustig en traag en kalm en in vrede.
Een laatste Bach-prelude waait langs en dat is altijd zo geweest.

Want morgen is de rust aan vervanging toe. Dan is er gekletter van gepraat. Gelach zonder muziek vol helderheid.

Het achterlaten van het huis doet steeds een beetje pijn. Omdat mijn huis mijn toeverlaat is. Al zwerven er drugdealers rond ons plein: die worden toch nergens beter van.

Een laatste keer de ramen sluiten, de ramen die altijd open staan. De kattenbak verversen en het brokjesmaal voor enkele dagen klaarzetten. Water in overvloed en de postbode, die gaat me niet aantreffen.

Wat laat een mens achter, na de laatste handelingen?

Daar ga ik weer eens over reflecteren. We laten uiteindelijk niets achter, denk ik soms. Hetgene wat we zo belangrijk vinden, blijkt bij de afrekening maar een bagatel.

Dat is een hele geruststelling.

Het laatste is nooit het eerste van belang. Het is een komma. Niet eens een kommapunt.

Het laatste is de bodem van de ziel.
Het waait.
Het verdwijnt en keert soms weer.

Zelfs wanneer we er niet op hopen.

Verwachting.

We kennen het allemaal. Het wachten op. Het verwachten van. Het uitkijken naar een auto die de oprit op of de dreef komt ingereden. Het gejoel van de ontlading: ‘ze zijn er!’.

Wij brachten vele zomers door in een reuze grote tuin die paalde aan de Kalmthoutse Heide en we kregen na een week van spel en verveling vaak bezoek van familie. Daar keken we om één of andere reden met een aan kosmopolitisch genoegen grenzende blijheid naar uit.

Want het wachten op en het aftikken van de tijd die nog niet werd onderbroken door aanhoudend getelefoneer creëerde een zeer eigen sfeer.

Het was simpel. Eenvoudig geluk. Het roepen wanneer een gammel deux-chevaux’tje door de witte poort kwam getuft. En de nonkel met de gekke streken en zijn verloofde die er als een toverbol uit kwamen.

Morgen rijd ik naar een prachtige plek in de Ardennen. Een verborgen valleiparel die geflankeerd wordt door riviergekabbel. Daar zijn al enkele vrienden en het aankomen daar is zo fijn. Je wordt meteen opgenomen in de zachtjes gegroeide groepsdynamiek en het thuisgevoel staat recht als een huis wanneer je tent is ingericht.

Koken, zingen rond een nachtelijk kampvuur, eindeloos babbelen, lachen en naar de lucht kijken. Meer heb ik niet nodig om mijn verwachtingen volledig ingevuld te zien. Nachtelijke koude waarover mag worden gezeverd. Compleet ontberen van enige luxe waar iedereen zich met een verbazingwekkende eenvoud in schikt.

Het afstand doen van het vanzelfsprekende om na afloop te beseffen: ik heb hier zo naar uitgekeken. Het was en is en zal altijd zo zijn.

Verloren?

Misschien wel duizenden stappen gestapt. Miljoenen woorden geschreven. Gesproken, gezongen. Voor mensen en concerten en evenementen en zakelijkheden die allang verwaaiden naar een vergeten verleden. Altijd vol enthousiasme en overtuiging.
Zijn ze verloren?
Zijn ze echt vergeten?

Het is van weinig belang. Verloren is niets. Niets wat opschoot uit belangstelling kan je verliezend noemen. Je kan veel verliezen, maar nooit je drijfveren.

Ik gaf veel van mezelf tijdens mijn lessen geschiedenis. Dacht vaak: wanneer zal er iets van al dit resoneren in jullie latere leven? Als je in het Alhambra staat? Als je een Rubens ziet op een onverwacht moment? Als je Chopin ontmoet in een uitvoering? Als je over de Greenwich-lijn gespreidstand staat?

Ik deelde veel omdat bezit me niet kan behagen en dacht vaak: gaan jullie ook delen?

Ik smijt veel foute grappen in het rond en hoorde vandaag mijn kleinzoon luidop lachen na zo’n te snelle opmerking. Het joch is ocharme 21 maanden oud en schoot hardop in de lach toen ik iemand in het verkeer een glad-alige trage slak noemde.
Dus keek ik snel achterom en zag echte pretlichtjes in zijn ogen. Hij weet al veel van dieren en heeft humor.
Misschien zelfs mijn soort van humor.

Verloren heb ik niet. Verliezen kan men niet.

Nooit

Nooit zachter mos onder zijn voeten, nooit brandender eelt. Nooit kouder maanlicht op zijn handen, nooit woester hart in de borst. Nooit grimmiger kwaad rond zijn mond, nooit kolkender zaad langs haar benen. Nooit terugkerend op zijn passen, nooit.

Wanneer zijn palmen draaien naar een andere wind, worden daden dromen. Talmend om zijn as wordt alles niets en is de wereld nog een stip.

Nacht is altijd nacht. De maan altijd illusie.

Hij maakt zijn ogen dicht en bewaart de zwarte van het niets.

Wanneer hij traag, zeer traag zijn passen telt, verdwijnt de waanzin en treedt aanvaarding aan. Steeds het tellen, steeds verdwijnen.

Tellen en verdwijnen en weer de waanzin van de daad. De werkelijkheid van
droom.

Het strelen van haar schouder, het tellen van haar haren, het kammen van haar wimpers, het wassen van de maan, het likken van haar huid. Het scheuren van haar vliezen, het proeven van haar angst. Het trillen van haar stille heupjes, met geur vol wanhoop in de nacht.

De gruwel van zijn daden, zijn noodzaak van hun zijn, de dwang van zijn handen, de weemoed van het mijn, het dijn, het zijn.

De bomen buigen. De grond splijt kop tot teen.

Wat nooit mocht komen, kwam, bracht duivel en vuur. Hemel en hel en alles één en niets meer.

Niets meer.

Nooit meer.

Alsof

Alsof ik flink was, hield ik Sol op een veilige afstand door met de buggy in het rond te draaien. Alsof hij me gisteren nog zag, zei hij ‘Pussa, Pussa’ en zijn vader deed alles wat een vader in deze omstandigheden kan en mag doen.

Alsof het een gewone lentedag was, wandelden we glimlachend door het Rivierenhof en we babbelden over koetjes en kalfjes. Alsof we de toekomst zagen zitten, spraken we af om elkaar hier vaker te treffen en de bomen te bekijken. Alsof ik dat normaal vind, hoorde ik Sol kauw tegen een kauw zeggen en niet zomaar vogel.

Alsof ik de liedjes van Kapitein Winokkio ken, lipleeszong ik met hem mee, want hij kent ze allemaal en haalt nonchalant de raarste zinnen te voorschijn. Alsof hij mijn handtas mag onderzoeken, vond hij al snel zijn favoriete rijstkoekjes en zijn aangebeten cracker viel stante pede uit de gratie.

Alsof de wereld zijn gewone kringetjes draaide, draaiden wij op zandpaden rond elkaar heen. Liepen over bruggetjes en keken hoe het hoge gras Sol zijn beentjes bekriebelden. Hoorden hoe hij al kleine zinnen uitsprak en àlle woorden na papegaait. Bank. Ook bank. Oej, boem. Water water. En het vingertje wijst om ons duidelijk te maken. Terwijl weinig duidelijk is.

Alsof de hoge bomen ons beschermden, bleven we wandelen zonder gevaar. Want vormen wij een gevaar voor elkaar? We zien elkaar nog even graag en weten het ook allemaal even niet.

Alsof het gewone woorden waren, zei ik dat ik ‘mijn bubbel voor hen reserveer’. Een bubbel reserveren! Maar misschien kunnen ze dan binnenkort wel in mijn tuin komen eten. Als vanouds.

Alsof vanouds weer even dichterbij kwam.

Pas nu

Pas nu, nu ik weet dat ik morgen mijn huppelkind tussen de struiken zal zien oplichten. Pas nu, nu ik aftel en langzaam probeer te vervellen van de volle weken van wachten. Pas nu, nu komt de pijn aanzetten, net wanneer ze in de hoek mag gaan staan. En het voelt als een knellende band rond mijn nek, een onnozel ouderlijk veto uit een ver verleden, een nooit geziene straf om niet te mogen hebben wat zomaar gewoon zou moeten kunnen. Zoals in de tuin moeten blijven rondjes fietsen na het diner omdat je dat werd opgelegd, terwijl je knal door de poort weg wil razen naar je vrienden.

Deze avond, na meer dan twee maanden en Sol niet te hebben voelen of horen bewegen rond me, komt de pijn van de toekomst pas echt op me zitten als een vals monster. Want onze dinsdagen zullen geen dinsdagen meer zijn. Zolang er geen vaccin is, is er geen ‘onze dinsdag’ meer.

Het gemis was aanvankelijk een terzijde geplaatst verlangen omwille van de ratio. Maar nu is mijn hart grandioos aan het breken en ik weet niet hoe ik me morgen zal moeten beheersen en hem niet onder de kleine schoudertjes zal optillen om heel luid zijn liedje te zingen en hem op en neer te laten dansen.

Dit was te veel. Te lang. Te moeilijk. We kunnen zo’n beperkingen dragen tot er een scheur komt in het kunnen. Mijn kunnen is voorbij gekund.

Maar morgen zal stralend zijn. De prachtigste lentedag van het seizoen. Hij zal kijken. Naar mij kijken. En ik zal kijken. Naar hem kijken. We zullen heel hard bekijken en herkennen en heel hard samen lachen omdat we altijd heel hard lachen samen en ik zal het weer weten.

Ik weet het wel. Hij weet het ook. Maar we moeten het echt nog eens samen weten. Echt.

Verloren maar gewonnen.

Het stond in kanten kantelen gehouwen: een datum en een plaats en een kasteel vol bloemen en laaiende muziek en poëzie voor de verbinding. De trouwdatum en de vrienden en alle voedsel voor liefde en de romantiek die nu grenzeloos plezierig mochten gaan dansen. En een onverwacht virus dat zijn strepen trok door plannen van blijheid.

Een lief koppel zou de voorstelling ensceneren van hun voor elkaar gevallen zijn. Maar ze struikelden over de sleep van een historische makaberheid. De details van opruiming van de geplogenheden om alles vooruit te schuiven inspireerde hen tot het fotografisch vieren van hun liefde. In hun ruimte. Want ‘kot’ is bij zo’n viering een heel plat woord.

Ik bekeek hun geëtaleerde schoonheid en warmte en wist: dit is een burcht van eerlijkheid en schoonheid. Niet wankelend, maar bouwend.
Want niets is verloren en alles hebben ze gewonnen.

Ik kus jullie van op veilige afstand, Chris en Barend.

Rijzende magie.

Een wafel geurt zo beloftevol heerlijk, vinden jullie dat ook niet? Zo’n kraampje met warme smeulende suikerwafels op ‘den dijk’: wie zonder diabetes kan daar nu nonchalant voorbij wandelen met de portefeuille op de knip?
Een appelschijf gedrenkt in smoutebollendeeg, doodgefrituurd met een wolk bloemsuiker erover: laten jullie die liggen? Een pannenkoek met bellende bubbels in de bovenlaag en de geur van altijd: kunnen jullie aan de verleiding weerstaan?

Het zou me verbazen. Maar sterker nog: wat me van kindsbeen af verbaasde, was dat mijn kleine beentjes àltijd halt hielden aan een garagepoort waarachter zich een bakkerij verschool. Ik snuffelde en sloot mijn ogen en dacht: later word ik bakkerin. Dan kan ik altijd met de ogen toe lopen te genieten van de beste geur ter wereld. De geur van rijzende magie: gebakken bloem en suiker en zout en water en het magische component: GIST.

Het draaide anders uit. Ik werd verkoopster van vers gebrande koffie en ambachtelijke pralines en snoep (voor de kleine soort) in ‘De kleine heerlijkheid’, mijn lieve winkel in Berlaar. Maar thuis bakte ik brood. Heel vaak. Voor mijn gezin. Voor vrienden. Voor feestjes. En de inspiratie hiervoor vond ik in een oud boekje in de bibliotheek van Lier: Boeddhistisch broodbakken. Het leek me zo simpel, zo leuk en het zat na drie of vier keren proberen compleet in mijn vingers.

We reisden jaarlijks naar Toscane, mijn kleine grote gezin en ik erbij en de kinderen hielden ezelsgewijs halt aan de kleine bakkerijtjes, waar de Foccacia uitgestald lag en ze likkebaardden en ze kregen en ik proefde. Ja jongens, dit was andere kaas! Kruiden, zout, olijfolie. Ik kon niet wachten om dit ook zelf te gaan bakken.

Het is me gelukt. Italiaans brood bakken en mensen betoveren en doen zwijmelen.
Ik draai al weg bij de eerste geurdampen die mijn huis veranderen in ‘den Efteling voor boterhammekes’. Iedereen smult al decennia van mijn brood en nu kreeg ik toch in deze vreemde tijden maïsmeel aan mijn deur geleverd met de hoop erbij dat ik er iets van zou bakken.

Het ligt geweldig te rijzen, na wat getwijfel over de hoeveelheid water, maar bloem dooft altijd alle nattigheid en straks maak ik hopelijk enkele mensen blij met een nieuw gerezen held van de Groenenhoek: Maïsbrood Vegan Style (zonder geklutst ei).

Ik draai nu af en toe mijn hoofd naar linksachter, waar de deegklompen (ja, het geheim zit natuurlijk in het correct kneden!) zachtjes en geluidloos liggen te zwellen. Straks draai ik mijn oven op bakkerinnenstand en gooi ik zoals steeds de keukenramen wijd open. Ik weet het. Iedereen die dit ruikt, wordt simpelweg gelukkig.

Als u wilt proeven: kom gewoon langs in mijn voortuin met welke bloem dan ook, met gist, met de beste olijfolie, met vriendschap en ik bak een klompje gistende liefde voor u!

Van Beethoven?

Ik was een kordate, lieve, oplettende en empathische studiemeester als dat zich al eens voordeed. Dat was nodig. Na urenlang op de schoolbanken, moeten sommige leerlingen ook nog eens tot twee uren in een studielokaal verblijven tot ze eindelijk kunnen buiten wapperen. Ik trok er, net zoals voor het surveilleren tijdens examens, mijn zachtste turnsloefkes voor aan, om hen niet te storen en stiekem achteraan wat te kunnen huppelen. Hoe het komt, weet ik niet, maar ik heb nooit vervelende lastposten onder mijn hoede gehad. Drentelig studeren, ja. Haarkrullen draaien rond vingers, ja. Luidop zuchten, ja. Iets niet begrijpen en smeken om een beetje bijstand, ja.

Ik werd naar een bank gewuifd waar een puber me iets toefluisterde, waardoor ik een beetje over haar heen boog en ik na enkele minuten ook mijn hand op de bank steunde. Ze zag er slim uit, vond ik. Ze zag er stoer uit, vond ik. Maar ze had een zachtheid in haar vragen verstopt die me charmeerde. Het bleek dat ze helemaal uit Mechelen naar Vorselaar kwam en ze toonde me haar tekenmap. Omdat ze hier meestal wel wat extra tijd te spenderen had voor leukere dingen dan wiskundebewijzen of grammaticaregels. Vooraan stond haar naam gecalligrafeerd en die trok natuurlijk meteen mijn aandacht.

….. Van Beethoven

Zo, is dat jouw naam? probeerde ik onnozel en ze knikte van ja. En heb je al vaak de vraag gekregen of je… Ja, mevrouw, ik ben een familielid van de echte grote Van Beethoven.

Toen donderde er een paukenslag door mijn hoofd en ik wankelde. Mijn grote God en de grote Beethoven en dit kleine meisje onder mijn neus.
Nu heb ik geen voeling met ‘bekendheid’, ik zat er al te vroeg met mijn neus op. Maar met echte grootheid die al mijn hele leven voor de klank van het betere zorgt: daar heb ik een onverklaarbare liefde voor.

Ze bezorgde me die week nog ongevraagd stukken uit hun familiearchief die ik nauwelijks durfde te beroeren. Maar zulke dingen overkomen je heel af en toe, bijvoorbeeld wanneer je op een bloedhete dinsdagavond ‘studie’ begeleidt op een secundaire school. Dan slenter je enkele tientallen meters van schoolbord naar lessenaar en sta je ineens gewoon te keuvelen met een nazaat van der Ludwig.

Haar voornaam ben ik vergeten maar dat verandert niets aan mijn mooie herinnering. Toch zag ik ook een zekere trots in haar blik. Hopelijk stuwt dat gevoel haar naar zeer hoge toppen. Ze is genetisch belast om dat te kunnen!

Altijd gelijk!

Het gebeurde tussen het gekeuvel op de dagelijkse Facetime-afspraak, dat mijn geheugen me weer eens compleet en fameus de das omdeed. Mijn oudste zei dat Sol zijn ‘r’ laat rrollen op zijn Frrans en dat hij een beetje ssjlist en niet Pussa zegt als hij mij bedoelt, maar Pusja. Wat de kleine terstond illustreerde.

‘Ja, jij sjliste ook behoorlijk’, repliceerde ik ‘en weet je nog wie je dat heeft afgeleerd?’ Neen. ‘Dat was zuster Nelly. Je rrollende ‘rrr’ , daar wilde je ineens vanaf en dat heb je gewoon van de ene op de andere dag gedaan.’

Tot zover alles juist.

Maar toen beukte ik een foute deur in en hij bleek erg overtuigd van zijn gelijk en ik bleef bij wat ik dacht dat werkelijkheid was, maar uiteindelijk alleen maar mijn foute versie van de realiteit. ‘Matthias, we zaten in Brugge in Cinema Lumière op de première van ‘De bal’ en ik hoorde je ‘Pizzatrrrut’ zeggen en ik schrok me een hoedje want die Franse rrr had je intussen al een hele tijd afgezworen.’  Tot nu niets fout.

Hij zei: ‘neeneen, ik was jonger toen ik niet meer rolde met de r’ en ik zei: ‘weet je wat, ik zoek het gewoon op, het bewijs dat je nog rolde met de r in ‘De bal’. ‘

Overtuigd van mijn goede geheugen vond ik na lang zoeken een trailer van ‘De bal’ en ik tuimelde van mijn kruk want wat bleek na enkele seconden: hij rolde toen inderdaad niet meer met de r. (Wat loopte gij hieR altijd te doen?)

Ok, het was 1999 en tijdens de opnames lag ik in het Institut Bordet in Brussel wegens een tumorverwijdering en het eerste wat ik deed op de recovery, was naar de filmset bellen. Iedereen juichte omdat ze niet hadden moeten amputeren. Maar mijn gehoor en beleving was dus behoorlijk vertroebeld. Veel was vertroebeld in die periode, maar ik vind het straf dat het mijn herinneringen heeft hertekend bovendien.

Sommigen uit die heerlijke tijd wandelen af en toe nog naast me of toch ergens in mijn buurt. Het heerlijke verhaal van hoe Matthias en Jonas de Ro elkaar onverwachts en op een vreemde plaats achter de hoek van een zomerse muur tegen het lijf liepen, vertel ik wel op een andere keer.

Eerst even checken bij mijn oudste, want die blijkt uiteindelijk altijd gelijk te hebben.

De Bal