Krop in de zee.

Ze zit diep in ons. Ze kolkt en draait en rust tot we terugkeren. Als eb en vloed gaan en komen we naar de zee.

Je bent hier te lande pro ’t Zeetje of voor Dardenne. Of voor allebei, zoals ik. De zee deint wiegerig in mijn oren en riekt zich vast in mijn zintuigen. En altijd, altijd voelt het goed om je sandalen uit te schoppen en recht op je doel af te gaan: de grijsblauwe lijn recht voor je.

Ik vergat het wellicht en dacht er nooit aan terug, aan die eerste keer dat ik ze zag. Die eindeloze grootheid vol beweging en geluid, het moet vast een geweldige indruk gemaakt hebben. Komt het door de herhaling van de ervaring, dat we sommige dingen klasseren bij de normale specialiteiten in ons bestaan?

Maar dan zie je hoe je kleinzoon van op zijn speelplek in het zand helemaal alleen beslist om met zijn peddelvoetjes al huppelend naar het water te gaan. Hij staat, kijkt en wacht. En de Grote Emotie kwam bij me terug van achter de Engelandhorizon. Het is veel. Veel om te snappen. TE veel om te behappen.

Ook voor Sol. Ik voel het tot overal.

Hij draait zich om, slaakt twee kreten die ik nooit eerder hoorde van hem en danst terug naar zijn mama.

En ik weet: ze zit nu al diep in hem. Ze kolkt en draait en zal soms rusten tot hij weerkeert.

Thuis is.

Zolang geleden of niet eens zolang, omdat je altijd opnieuw kan inpikken op de laatste of de nieuwste verhaallijnen, bevond ik me in een (voor mij) nieuwe lerarenkamer en spitste ik mijn oren zo ongeveer om 7.45 uur in de ochtend en dat was nièt zomaar, dat ik mijn oren spitste.

Want mijn kersverse, vooralsnog volslagen onbekende collega’s voerden zo vroeg, elke nieuwe werkdag, helse discussies en mijn haren wapperden van verbazing en na drie dagen ook van nieuwsgierigheid.

Ik hoorde verhitte gesprekken over een moord en dat iemand er zeker van was dat Frank de moordenaar was en dat die niet en dat zus wel zo.

Elke dag reed ik naar huis met een groeiend gevoel van afstandelijkheid. Ik was terecht gekomen op een school waar er met behoorlijk veel animo voor de aanvang der lessen over criminele feiten werd gecauseerd en geroepen en (jawel) gelachen!

Na twee weken werd het me echt T E V E E L. De ontwikkelingen in hun verhalen grepen me zodanig aan dat ik het eindelijk aandurfde om uit mijn van nature ingebouwde schulp te kruipen, mijn groene correctiestylo neer te leggen en luid te vragen: ‘Wie is die Frank en waarom bellen jullie de politie niet?’.

Stilte. Ongeloof. En na een enkele minuut een salvo van buldergelach. Eng.

Men had het elke dag over ‘Thuis’. Een Vlaamse soap.

Dat is wat fictie dus kan doen: mensen vervoeren, meenemen naar een wolk die zich tussen de lagen van de realiteit in wurmt en dat, ja dat verdient toch wel aandacht, dacht ik meteen.

Dus ik zocht het op en keek. Naar Thuis.

Na 20 jaar kijk ik nog, zelfs uitgesteld als ik van een lange werkdag thuiskom en me afvraag of.

Het is onnozel misschien of misschien net niet. De decors zijn wellicht van bordkarton maar ondertussen zo vertrouwd, dat ik een kreet slaakte toen de ‘woning’ van Frank (ja, die Frank) en Simonneke in de fik sloeg.

Op een terras in Baskenland hielden we vier jaren geleden een ‘weetjesquiz’ over de verhaallijnen van ‘Thuis’ en de zoon van mijn zusje bleek hierin onklopbaar. Hij wist perfect wie het ooit met wie ‘had gedaan’, wie er getrouwd, gescheiden, verkracht, vermoord of verdwenen was en we lachten ons de cocktail uit de mond.

Vanavond keek ik naar iets nieuws: een aansluitend programma op de uitzending, in de aanloop naar de ‘Grand Finale’ van het jaar en ja hoor: ‘De Thuisploeg’ doet dat goed.

Zal Jacques, de ultieme snoodaard, dokter Judith vermoorden? Zullen Joren en Stan kussen?

Zullen we kijken naar een ultieme spannende cliffhanger in de seizoensfinale?

Kpeisvanwel.

Luchtspaghetti

Je leert veel bij van je kinderen. Maar misschien nog veel meer van kleinkinderen. Want wat je leerde van je kinderen heb je geassimileerd of ben je allang weer vergeten.

Zo twijfelde ik gisteren of ik vroeger ook zoveel meespeelde in de fantasiewerelden van mijn jongens. Want ik kreeg na de lunch een groen pannetje zelf gekookte spaghetti aangereikt door Sol, en we aten het samen op. We wandelden ook naar het Rivierenhof, waar we met opgediste munten een pintje bestelden aan de bar. En kijk, wie kwamen we daar tegen? Anneleen! Leuk praatje gemaakt over haar poes Roosje die naast haar wandelde. Roosje springt nooit op het aanrecht.

Het is weer even wennen, dat voortdurend draaien tussen de echte realiteit en de wondere tevoorschijn getoverde werelden van mijn kleinzoon. Ze zijn zonder twijfel allebei even belangrijk voor hem en daarom ook voor mij. Ik verbaas me vaak over hoeveel woordenschat er al huist in dat wittekopje. De speelruimte aan het raam bij hem thuis IS Park Spoor Noord. Er hangen nog maar twee manjooliejabloemen aan de boom. Hij zet de pudding in de koelkast, want ‘dan wordt die langzaam koud’. We snijden een bos seringen voor zijn mama. ‘En wat krijgt mijn papa dan?’ De vingerpopjes die via mijn mond met hem praten zijn een echte haan en een echt varken en moeten mee kijken naar de broeiende kookpot waarin de maïs op ontploffen klinkt.

Natuurlijk is mijn leven totaal anders nu dan toen die drie wildemannen rond mijn pijpen zwermden. Als Sol komt, is dat na enige voorzorg: zijn kostje kook ik in de ochtend met muziek op de achtergrond zodat hij na school meteen kan eten. Tijdens zijn dut hoef ik niet nog duizenden dingen te doen waarvoor ik anders geen tijd heb, zoals vroeger toen de tijd mijn namiddag-heden versmalde tot een uurtje superwomanklusserij.

En zo is het goed. Zo komt er in het nu veel plaats vrij voor het bewandelen van onbestaande paden. Met veel uitleg van Sol erbij levert dit geen verbaasde blikken van mijn kant meer op. Alleen diepe ernst bij het genieten van met basilicum gekruide luchtspaghetti. En pinten drinken met hem.

Hoe moet dit nu?

Vandaag is de eerste dag. Nadat vrijdag de laatste was. Sol zwaaide met zijn allereerste diploma af op de crèche en stapt vandaag een kleuterschoolpoort binnen.

Maar hoe kan je zo’n peuter voorbereiden op wat gaat volgen? Al die indrukken, al die mensen, al die kinderen, al dat lawaai, al die vreemde geuren, alles en nog meer.

Iedereen heeft hem dit weekend toegelachen met lichte verbazing. Want, ja wat gaat het toch snel. Gisteren neuriede ik nog de tonen van ‘Varkentje Valentijn’ in zijn slapende kleine hoofdje, gebusseld in een warme deken. Vandaag slaat mijn hart op hol omdat hij het grote onbekende tegemoet holt.

Even aarzel ik bij mijn opploppende gedachte dat we hem misschien wel hadden moeten waarschuwen voor al dat nieuws. Niet alleen maar aansporen tot onbezorgdheid en blije vooruitzichten. Maar hoe moet dit eigenlijk? Schenkt dit gedrag dat we van nature tentoon spreiden voldoende weerbaarheid? Wat draait er allemaal in dat kleine lijfje? Wat kolkt er in zijn zenuwbanen?

Ik schrik opeenvolgend ook wat van mijn kordate idee, namelijk dat hij hier gewoon door moet en er door groeit. Maar ook: hoe zal zijn boterhammetje smaken in die anders en raar ruikende refter? Zal hij zijn dut vatten op het nieuwe bedje? Hoe zullen zijn ogen staan wanneer hij straks terug in de veilige armen van zijn papa landt?

Het valt allemaal buiten onze bevoegdheid. We kunnen niets meer doen nu.

Tenzij. Ik transformeer mezelf vandaag in een beschermvogeltje dat mee wandelt op zijn rechterschouder. Af en toe zal ik hem iets bemoedigends toe fluisteren. Zodat hij zelf kan vliegen.

Zo moet dat nu.

Te gast

De auto stond daar zomaar ineens, met buitenlandse nummerplaat en veel te schuin geparkeerd. Lelijke kleur ook. Geen chauffeur te bespeuren en nog minder beweging in de carrosserie. Na zes dagen van ‘geen beweging in die auto’, wilde hij vroeg vertrekken om de files voor te zijn en werd hij geblokkeerd. Door een dubbel geparkeerde wagen, ook al met buitenlandse nummerplaat en irritant pinkende lichten en een man die in de spiegel zijn wenkbrauwen met speeksel bevochtigde.

Toen kwam ze het huis van de buren uit, snel, zonder omkijken naar het hier en in een wip was ze ook weer verdwenen, recht dat de weg versperrend vehikel in.

Hij startte de motor pas nadat het geluid van hun wegrijden was opgelost. Het was opgelost.

Ze was een kennis of familie van de buren die hier kwam werken voor een tijdje. Stage doen in een vaccinatielabo. Hersenen onderzoeken onder felle lichten. Ratten opensnijden om infecties te bestrijden. Tanden opereren om een diploma te scoren. Lobbyen bij obscure maffiosi om een drugroute te organiseren. Ze was oogverblindend.

Ze was een gast in zijn straat en hij sliep op zes meter van haar.

Gewoontes zijn des mensen en dus te mijden wanneer je zogenaamd onverwacht contact wil organiseren met een gast van je buren. Het kwam er op aan om te observeren, te plannen, af te wijken van ingebakken routes en haar dan, net voorbij de voortuin, met glasheldere blik in de ogen te kijken.

Hij deed of hij sliep. Of er niets veranderd was. Maar alles stond vast in zijn hoofd en toen in het weekend de zon doorbrak en iedereen in de buurt anders bewoog, gebeurde het ook. Niet zoals gepland. Maar evenzeer.

Ze droeg een bolletjesjurk à la Bardot die opwaaierde toen ze zich naar hem toe keerde. Hij deed of hij struikelde, maar greep in de lucht en kwam stevig op zijn voeten terecht op nog geen halve meter van haar.

Ze lachte haar met goud gevulde kiezen, verkocht aan een Cuba-sigaren rokende drugsbaron in de haven bloot en giechelde in het Frans. Hij ademde in Esperanzo en pakte haar in met een schwung van heb-je-me-daar. Zonder touwtje maar met glitter en glans.

De drie volgende weken sliep ze op tien centimeter van hem. Toen keerde ze terug naar haar Immo-kantoor in een zijstraat van de Rue Saint-Denis in Lille. Waar ze moest maar echt niet mocht zijn.

Er is een kindeke geboren

op aard’.

’t Kwam op aarde voor ons allegaar.

Gaston is vanaf nu onder ons: voluit, zonder pardon en met ons aller goedkeuring en medevoelen.

Hij is niet mijn kleinkind, maar de zoon van een zus van mijn schone dochter en ik leefde helemaal mee naar het moment van zijn komst.

Hij raakt me meer dan mogelijk lijkt bij zo’n familie-verzamelende afstand. Hij is prachtig, hij komt onder ons en we zullen hem omarmen met onze hoogste mate van octopussigheid.

Want een nieuw leven, zeker nu, beroert ons: onze gevoeligste snaren trillen in de diepste armoede van ons aller welzijn. Hij schuift opnieuw hoop onder onze vleugels omdat hij de uiterste essentie is van al wat was, is en zal zijn.

Kom hier, Gaston, kozijntje van Sol, broer van Emiel en Marylou: al mijn toekomstige pannenkoeken krijgen een suikerwaas door jou.

Welkom!

Regenboogvlagen

Een man werd geflikt, gelokt, gemarteld, gedood.

Dat raakt ons allen en zet velen van ons in beweging.

Meteen was alles al duidelijk voor duizenden: het was een laakbaar geval van homohaat.

Ik twijfelde. Ik wist namelijk bijzonder weinig over deze moord en hield me gedeisd.

’s Nachts kwam een raar verhaal uit mijn onderbewustzijn naar boven gedwarreld in een droom. Er speelden honderden feiten die niets te maken hadden met homohaat maar met

van alles wat ik niet zomaar wil delen.

Wat we ‘zien’ is vaak wat er niet is. Wat we ‘zien’ is vaak niet wat er is.

Soms moeten we gewoon willen wachten tot duidelijk wordt wat er gezien moet worden.

Maar praten over homohaat moet. Zelfs al komt deze publieke verontwaardigingsgolf rijkelijk laat.

Eva ontmanteld

De draaiende deur en de draai om haar hoofd en de zwetende biergeur van zijn oksels en de stank van zijn valse adem en de vieze grijns van zijn kompaan en de harde klap tegen de muur en de vriendinnen te ver weg net achter die muur en het onmiddellijke besef van gevaar en de ijzersmaak van bloed onder haar tong.

Het tijdsmoment van de ommekeer van haar bestaan en de flitsende verdwijning van haar geloof in alles. Het scheuren van haar prachtig glanzende kousen onder de klauwen van de aanvallers en het breken van haar hollende hart en de smaak van kots vol mojito en de schrik, de schrik, de schrik.

Het uitschakelen van het nu om het later te vrijwaren en het tegelijkertijd onbewuste besef van het vroeger is voor altijd voorbij.

Het bukken en het grijpen naar het ongrijpbare veilige in lucht en naar verdwenen adem en het verstenen van gevoel.

Het weten van: tegen twee is niets te beginnen ik ben gezien het is ongezien ik wil weg en dood en naar huis en nooit meer slapen.

Alles is slecht. Godzillah moet nu neerdalen om die beesten te ontzielen tot ze kronkelen in hun eigen vloed van bloed. En ik word ontmaagd, ontmanteld, de vellen van mijn vrouwelijkheid zijn slechts flinters in de gruwelijkheid van hun onbeschaamde lusten.

Botvieren. Vierendelen. Delen.

Ze gooien me op de grond en verdelen mijn felste innerlijkheid onder elkaar om zich te verpozen. Hun zaad te lozen.

De lichte voorwaardelijke straf van twee verkrachters van een studente in de Overpoort in Gent (de bewijzen van de misdaad waren door henzelf gefilmd en volkomen bewezen geacht door de rechter, maar werden door hem niet beschouwd als initieel gedreven door een criminele ingesteldheid) nopen tot burgerprotest.

Een verpletterd meisje. Altijd iemands dochter, altijd iemands kind.

iedereen heeft geheimen

Eerlijkheid is een illusie.Veiligheid is nog veel meer dan een illusie. Daarom mogen we zomaar wegduiken in de diffuse poel van onze duistere kant. Heerlijk. We dragen ze mee, soms veel te lang, hopelijk altijd, de duistere verhalen die we niet delen maar koesteren.

Ik draag ze mee sinds lang en nog steeds en ze doen me glimlachen wanneer een lief me zegt: ‘Jij, jij bent een open boek’. Ze zijn mijn onderkant en mijn zekerheid. Want ze zijn mijn eigenheid en geniepigheid die me dragen over kanalen van kristal.

Geheimen maken ons vol. We lachen stiekem samen om de slimheid van onze verborgen levens. We dansen de tango van verdorvenheid en licht. We mogen dat.

Geheimen dragen ons glansrijk naar het einde. Omdat complete openheid nergens toe leidt, durven we laagjes behouden die uitsluitend rust aanleveren.

Ik heb een encyclopedie vol ongekende verhalen. En die vind ik onschatbaar van waarde. Ik zie ze opduiken, wanneer ik op een glansrijk feest in de spiegel van een zijstraat kijk en geluk zie gloren. Omdat ik niet ben wie iedereen denkt te weten wie ik ben.

Dans je te pletter, maar zie dan ineens je binnenkant wanneer je gaat plassen met de volle gedempte uitgelatenheid achter een kartonnen deur.

Want altijd, altijd, ben jij samen met je geheimen en hervind je je in een unieke verbondenheid.

Al heb je nooit controle over je geheimen. Ze leiden een leven, een eigen leven. Maar nooit jouw gehele leven.

het licht van half vijf

In Afrika werd ik rond het middaguur ongerust. Het brakende zonlicht brak mijn irissen aan flarden en toch kon ik het niet laten om recht omhoog te blijven kijken. Als een vuurvlieg snelde ik naar de onbestaande seizoenen daar en de hel klopte diep rond mijn hart.

Het licht, het licht, het licht.

Het licht op de uren bepaalt mijn gevoelsleven. De steeds veranderende kleur van mijn omgeving danst tesamen met mijn beleving van het zijn.

De schaduw van een lantaarn in een regenstraat in oktober. Melancholie verzuipt mijn kinderwensen.

De verdwijnende helderheid van letters in een boek in de winter. Mijn gedachten leven minder.

De verglijdende intrede van het duister in de lente. Mijn hart slaat op hol.

De lange zomeravonden zonder weerga en de ingetrokken knokkels van een lonkende nacht. Ik leef compleet.

Elk seizoen heeft zijn eigen licht om half vijf. Soms kan ik er niet naar kijken, maar het slaat altijd in als een bom.

Om half vijf breekt er een onweer los op de barza van het huis in Kabondo. Elke dag. Dan trek ik me terug in mezelf en wacht. Het wachten helpt de tijd vooruit.