Stoepkrijt in de Colruyt.

Natuurlijk bereid je het voor. Uiteraard overdacht je alle mogelijke valkuilen, hiaten, onvoorziene omstandigheden. En dan kan je eindelijk vertrekken. Met een auto vol. Vol met alles van vroegere kustverblijfreizen erin gestouwd. Het zit haast in je hoofd gebeiteld en dat loont.

Maar nu gaat het niet meer om je eigen kinderen, die je meer dan volledig in de hand had zonder dat je ze ooit in de hand zal hebben. Nu vervoer je je kleinkind naar een gehuurde bestemming en dat is meer dan volledig anders dan vroeger. Je hebt een lichte kriebel in de keel en je vraagt je af of je het zal redden.

Ja zeg. Nu niet onnozel doen.

Maar het krast ondertussen toch in je hoofd en is de soep ingepakt? Is het boek van Jip en Janneke niet achtergebleven? Zijn. Is. Zullen.

De tochten naar het strand zijn bijna en nu al legendarisch. De geuren van de hondenpoep onderweg ook onvergetelijk. De schelpen gekoesterd.

En dan denk ik na een week: wat is me nu echt bijgebleven?

Diepe zucht: het is het moment dat we in de Colruyt van Blankenberge een pot stoepkrijt zagen staan. Alle mogelijk meer prozaïsche decorums werden hierdoor instant van de kaart geveegd.

De pret haalt het altijd. Plezier is onvervalsbaar en echt. En van alle tijden.

Hier zijn de diamanten!

Gisteren gebeurde het. Na allerlei uitstel. Om velerlei redenen.

Maar eindelijk gebeurde het. Als het filmisch opheffen van een tijd-sluier. Zonder veel misbaar en met veel vanzelfsprekendheid. Na vijftig jaren: eindelijk lékker samen tafelen (niet de rommel die we moesten naar binnen werken op de skischool in Fiesh) met gerookte, gevulde inktvis. Het geurde lang na.

En het blijft hangen, de geur van het vroeger in het nu. En ook het antwoord op de vraag: hoe ‘kies’ je mensen, zeker ook in je kindertijd?

Niet zomaar, ohneen.

De mensen die rond je zweven op je eerste schooldag als onbeholpen, bange kleuter: die gaan een eigen leven leiden, meestal ondergronds, bijna als steenkool. Het leiden van dat leven doet je struikelen en vergeten en veel verder kijken dan gisteren en voor je het beseft, ben je elkaar verloren in al die lagen vol solfer, leem en Vlaamse klei.

Tot je geluk hebt en er een siddering komt die de lagen door elkaar schudt en stenen aan de oppervlakte brengt. Tot je elkaar op een haast apocalyptisch warme middag opnieuw ontmoet en na luttele momenten beseft: natuurlijk, zo voelde het toen en zo kan het nu dus nog steeds voelen.

Mensen ‘kies’ je niet: ze blijven zomaar aan je plakken, omdat de lijm klopt.

Kloppende lijm. Ik zie de kleefstof groeien en juich om de eenvoud van steenkool die wacht.

Ja, ineens zijn ze er in volle glorie: de diamanten.

Veel zijn wij vergeten.

Het geheugen van de tijd kan maskeren, vervormen, opblinken en beetnemen.

Evenzeer kan het helpen, dingen koesteren, waarde bewaren en vreugde opslaan.

Al te zelden kruipen we achterwaarts in de bibliotheek van indrukken die opgeborgen liggen in de laden, kasten en valleien van onze hersenen. Merendeels doen we dat dan ook alleen en kunnen we niet worden bijgestuurd, gecorrigeerd of betrapt op rariteiten.

Tot je (toevallig?) doelgericht met stevige tred je kindertijd gaat opzoeken om de kinderen die je hele lagere schooltijd gedurende duizenden uren van je leven naast je hebben gelopen, gespeeld, gehuild, gelachen dus geleefd, bij elkaar te rapen voor een samenkomst na vijftig jaar.

Foto’s zijn een grote hulp. Sociale media ook. Eindelijk besef ik het belang van de klasfoto. Het is een blauwdruk van een moment dat ooit kan staan schudden aan je deur.

Dit zijn de namen. De namen springen tevoorschijn op de tuintafel van Gerd, waar ik op een zomerse zondagnamiddag in een fotoboek kijk. Dit zijn echt àlle namen. En we kijken elkaar meerdere keren in de ogen en lezen de verhalen van het leven, vol schoonheid en troost voor te groot verdriet en dan zegt Gerd: ik zal Kristin even bellen. Zij zien elkaar nog regelmatig en door die vadsige, mottige virusaanval moesten we onze droom opgeven om met drie samen te komen. Het zal verkeren.

Op wat er toen gebeurde, was ik niet voorbereid. De stem van Kristin klinkt klaterhelder en we struikelen haast over onze woorden om een inhaalmaneuver te maken. En het duurt maar even of we lachen samen om de herinnering aan ‘de dame-blanche met twee lepeltjes’ die we in een tearoom in de Abdijstraat bestelden wegens te weinig franken.

Het is natuurlijk meer dan dat en die avond borrelt mijn gemoed vol turbulenties en sta ik verschillende keren te huilen.

Ik huilde nog vaker de afgelopen dagen en vraag me vele dingen af.

Zoals: waar bleef al de beleefde tijd van het leven? De echte tijd? Hoe komt het dat niemand van deze tientallen mensen zegt dat het toch maar een onnozel idee is om samen te komen na een halve eeuw? Dat er uitsluitend vriendschap overblijft van de vele ambraskes op de speelplaats lang geleden en dat we pas nu besluiten om opnieuw te proberen samen te komen?

Ik sluit de ogen en zie een heldere film voor me. Turnfenomeen Kristin die in de startblokken staat om over ‘den bok’ te springen. Ze wappert een beetje nerveus met de vingers van beide handen, wipt ter plaatse zoals alleen zij dat doet en schiet dan naar voren om te vliegen en te landen.

Dit is de film van mijn lagere schooltijd. Een sprong in de naar zweterig stof ruikende turnzaal van het Maria Regina Instituut aan de Jan de Voslei en de smaak van een gedeeld ijsje.

Veel ben ik vergeten. Maar dit vergeet ik nooit meer.

Een regen van manna in de Joodse wijk

Het mooiste cadeau komt zoals steeds uit de meest onverwachte hoek. Op je lulligste momenten. Zoals wanneer je vol plezierverwachting je kleinzoon van school haalt en hem honderduit hoort tateren en je een bocht neemt naar de Mercatorstraat, even halt houdt voor de vele fietsers en wandelaars en pas na enkele momenten doorhebt dat je auto niet meer rijdt.

Op dat pokke-drukke kruispunt, waar elke twee minuten een braakbal aan vrachtwagens langs schuift.

Op het heetste uur van de dag.

Dan gebeurt er misschien wel iets fijns. Het overkwam me daarstraks en ik zou haast een loflied aanheffen voor de goedheid van de mens.

Na enkele minuten nerveus getoeter en agressieve blikken en gebaren achter sturen allerhande, na ondertussen continu de achterbank te controleren, of Sol niet onrustig werd (neen hoor, hij zat als een koelbloedige krijger in zijn stoel en glimlachte me telkens toe met zijn ogen.), duwden twee fietsende heren hun machine aan de kant en meteen daarna mijn auto op een parking-plaats even verderop, pal voor de druk bezochte winkel Stark.

Dan probeer je bliksemsnel en probleemoplossend te denken, maar word je ineens, zomaar uit het niets, aangesproken door een jonge vrouw door je open raam. Of de kleine dorst heeft of iets anders nodig heeft. Ja, water, graag, en hoppa: ze stuift heen en weer en stopt een flesje en wat broodjes in mijn auto.

En ze gaat nog verder dan dat. Ze belt een nummer en zegt: zo dadelijk komt er iemand van de pechdienst Chaverim om je te helpen. Let op, zegt ze, ze doen geen herstellingen maar ze helpen je wel verder. Ikzelf probeerde net de VAB te bereiken, maar de drukte bleek oneindig.

Na enkele minuten stond er een jongeman met een apparaat. U bent de chauffeur van de Saab? Ja dus en dan doet zo’n jongen dingen die je met je eigen startkabels niet kan evenaren. En je moet niet eens iets betalen.

De vrouw met manna in haar haren verdween stilletjes. De auto deed moeilijk en het is een mirakel dat ik bijna tot bij mijn huis ben geraakt. De kortsluiting in de batterij bleek nu finaal en definitief: tijd om mijn Saab-wagenman in te schakelen. Die helpt altijd en lost het steeds weer op. Straks zet hij de auto hier voor mijn deur, met nieuwe batterij en de zomerbanden terug gemonteerd.

En Sol? Die doorstond het allemaal staalhard en zonder gepreutel of geneut. Met rode kaken zei hij hier thuis: ‘Die spinazie met petatjes, die krijg ik nu niet binnen. Ik zit vol brood. Laten we een feest gaan houden en de inkom is maar één euro. Ik heb gezorgd voor een waterspringkasteel’.

Ondanks de voor hem verborgen stress had ik ook een raar feestgevoel. Als de storm is gaan liggen, besef je dat elke wind verborgen boodschappen kan laten aanwaaien.

Verras me: wat hebben ‘de’ Meurop, Jeroen Bosch en lethargie gemeen?

Mensen van mijn generatie noemen de meubelen van ‘de Meurop’ wel eens smalend ‘ne slechten Ikea avant-la-lettre’. En toch. De laatste zaakvoerder leidde later Ligne Roset en dat merk je bij aandachtiger kijken. Toch heb ik nooit geweten dat de site van deze meubelfabriek op een flinke steenworp van mijn huidige arbeidsplaats gesitueerd is. ‘Te’ Rijmenam, parel in het donkergroen.

En er is meer. Jeroen Brouwers zaliger woonde hier ooit vlakbij. Op amper enkele honderden meters verwijderd en gedurende vier jaren, in het diepe donkergroen van de Rijmenamse bossen. Het huisje is inmiddels afgebroken: bespaar uzelf de walk in Memory Lane.

*Jeroen Bosch, die staat nog even in de coulissen.* Mijn lethargie, die is vandaag in één handklap verdwenen. De laatste tijd was ik niet meer zo tuk op culturele uitstappen. Vroeger was ik een racer, een gulzige happer, een kerjeuzeneuze hothotspot. En door die onnozelheid van een belachelijk virus werd ik in mijn fauteuil geflapt. Om er zelden nog uit te komen.

Tot vandaag. Mijn sad eyed lady of the lowlands en haar nieuwe vriend kwamen deze richting uit, want, en nu komt het, er was een tentoonstelling van KOENRAAD TINEL in Rijmenam. Of ik hen niet wilde vergezellen. (Ja). Het klonk een beetje zoals: ‘Hé, ga je mee naar Grobbendonk? Daar kan je naar werk van Alechinsky gaan kijken in een schapenschuur.’

Hoe kon het dat ik het allemaal vergeten leek te zijn? Dat gevoel van innerlijke verrukking en vrede en voldaanheid. Bij het aanschouwen van schoonheid. Ik weet het niet en ook wel. Het is de schuld van het lethargie-monster dat op de loer ligt om ons eens om de vijftig jaar eens lekker link te grazen te nemen.

De draak is verslagen. Deze namiddag wandelde ik vol verwondering in de gematerialiseerde wereld van Koenraad Tinel. Ik zag veel. Mijn fantasie sloeg wilde vonken naar alle hoeken van de prachtige grote ruimtes die baadden in verduisterd zonlicht. En ik werd zeer nieuwsgierig.

Wie zit hier achter? Wie heeft dit allemaal samen gebracht? Hoe kan het dat ik visioenen krijg van Bosch en de mummies in het Musée de l’homme en Gilgamesh en de Cerberus? Hoe kan het dat ik dit hier kan bekijken, op deze onwaarschijnlijke site van ‘de Meurop’?

Het zijn ondernemers met een wild, vrij hart. Die alles onafhankelijk willen kunnen beslissen en dus geen subsidies vragen. Die geen vzw oprichten maar dus ook niet in ‘het boekske van de gemeente’ mogen worden opgenomen. Dat mag wel, natuurlijk, maar domheid kan je niet verslagen met esthetiek en een gevoel voor vrijheid.

Ik won op vele vlakken een koers deze namiddag. Ik ontwaakte uit mijn mist dankzij het zicht op een glimp van puurheid in gigantische beelden. Ik dronk een gazpacho met vrienden en er hoefde niets te worden uitgesproken na het bezoek, want het klopte allemaal.

Die jonge, sprankelende mensen van ‘ ima ginair ‘ mogen wat mij betreft zeer snel dansen op de snelwegen naar de zon.

Daar gaat mama niet mee lachen (twee maal)

Het was de eerste echte schijn-lente-woensdagnamiddag en we warmden allemaal een beetje op, ondanks de kilte aan de grenzen. Dat gaat gewoon door: onze gevoelens in het moment, nu en op deze plaats, hier en we durven schaamteloos en zonder bijgedachten blij worden. Van een straal uit een waterpistool (een nijp-nijp heet dat in de taal van mijn kleinzoon) op de neus van een zoon die onverwacht in je tuin komt zitten. Van de eerste zaailingen voor de komende zomer. Van een gemberthee met citroen op het terras. Ja, zo gaat dat toch.

En je ziet de kleine vingers van Sol prutsen in de buurt van planten en bloempotten en zand en die moeten dan toch even onder de kraan gezeepspoeld worden. Dan neem je dat kleine handje vast en je kijkt aandachtig naar de vorm van zijn nagels.

Nagels hebben bij elke mens een zeer eigen vorm en die van Sol is nog niet volledig duidelijk: beetje rond hier, een beetje vierkantig daar, een zwart randje na het zaaien en je grijpt zonder erover na te denken naar een flesje nagellak om de zaak wat duidelijk te kleuren.

Sol laat me gewoon doen en achteraf bedenk ik hoezeer hij me moet vertrouwen. De aceton-geur die uit zo’n potje opstijgt is tamelijk indringend. Hij is gevoelig voor prikkels: geluiden, geuren, wat dan ook. Toch blijft hij rustig staan en toekijken. En op het moment dat hij naar zijn kleine rode nagel kijkt, zegt hij: ‘Daar gaat mama niet mee lachen’.

Ik lach het weg en zeg: ‘Maar jawel, Solliman, mama vindt dat zeker mooi’.

En opnieuw zegt hij: ‘Mama gaat daar niet mee lachen’.

Ineens krijg ik bijna spijt van mijn impulsieve handeling. Wat gaat er om in dat hoofd en waarom stuurt hij zijn twijfels richting het object van zijn grootste liefde, zijn mama? Omdat dat veilig voelt? Om zijn onzekerheid in haar kamp te leggen? Want dat dit hem onzeker maakt, staat vast.

Ik zing een onnozel versje de lucht in, dat rood rood rood altijd alles mooier kleurt en zeker op een tuinman-nagel. Hij kan er om lachen.

Zijn mama zegt me later dat hij totaal geen schroom had om zijn geverfde nagel te tonen.

Dan zucht ik weer eens, denk ik weer eens en weet ik weer eens: kleine gastjes, ge kunt gij daar niet aan uit.

Scheve conclusie.

Hij is vinnig. Hij is snel. Hij is lenig en kwieker dan kwik.

Maar toch vind ik hem heel stevig en niet zo smal.
Smal is niet dun. Dun is ziekelijker dan mager. Smal is veeleer neigend naar slank.

Slank is hij zeker wel. Maar ook stoerder dan een net geplante rietstengel.

Als hij staat, dan stààt hij.

Dus was ik blij dat mijn kleinzoon-zuster, zijn oma, de mama van mijn schone dochter me sterkte in mijn vermoeden. Sol is een stevig bazeke. Ik noem dat soms ook costaud. Omdat ik Belgische ben.

Mijn drie jongens waren smallen. Maar dan echt smallen. Niet slap, niet week, maar er kwam geen grammetje vet te hangen aan hun taaie lijfjes.

Bij Sol komt vet niet in de buurt. We eten organisch, haast veganistisch maar van groenten word je duidelijk beresterk! Hij prikt zonder verpinken een volledige mango achter de rode lippen als vieruurtje. Bij zijn oom Jonas greep hij een banaan van de fruitschaal met de nonchalante mededeling: ‘Effe een banaantje eten’.

Zijn kachel draait overuren door de hoeveelheden groenten, fruit, noten, zaden die zijn maag verteert. En hij groeit gestaag, met stevige botten en een omtrek die niet lijkt uit te deinen.

Mijn scheve conclusie is dus: onze Sol is ne valse magere.

Nooit meer alleen

Stilte is mijn bondgenoot. De veiligheid van onverstoorbare ochtenden tot Bach mee aan de koffietafel mag aanschuiven, is iets waar ik mijn hele leven heb naartoe gewerkt.

Neen, natuurlijk is dat niet zo. Ik duw op de Klara-knop nadat ik mijn ogen heb open gewapperd. Dat duurt jaar na jaar alleen maar langer. Het volgt ook na een zucht vol ‘amaj!’ bij het naar beneden komen. Want de knoken, die koken tegenwoordig al zonder vuur.

Toch was er heel af en toe iets te veel stilte. Maar dat behoort nu tot de verleden tijd. Want ik heb een onstuitbare metgezel in huis zien belanden. Eentje die ik zonder enig probleem ook met een lichte corrigerende tik tot zwijgen kan bewegen. Ik, die nooit mijn kinderen zou slaan, durf nu mijn hand uit te steken met de vastberadenheid van een klokkenmaker die een rader herstelt.

Want de grote staande klok van oma en opa verhuisde naar hier. Het is een huwelijkscadeau en daarom ook een dierbaar instrument dat je niet zomaar uit wuift naar een Kringwinkel. Maar op het moment dat ik een koekoeksklok wilde kopen omdat Sol zo geïntrigeerd is door het hoorbaar aantikken van de tijd, in kerktorens en ook in de klok van de ouders van mijn schone dochter en toen ik dat liet horen aan de laatste, paste die meteen de grootouderlijke puzzel in elkaar, met klank en kleur.

Dus reden oma en opa tot hier, met de gigantisch prachtige belofte van eeuwig getik en gezang in hun auto. Een nieuwe aanwezigheid die ik ook met een vingerknip enkele dagen weer kan laten zwijgen.

Zo zat Sol deze middag na ‘de korte schooldag’ aan zijn eigen tafel soep te lepelen, toen de klok begon te zingen en hij verstilde, keek op en uitte een langgerekte ‘heeeuuuun????’. Dat was een mooi moment, omdat hij zich geen vragen stelde bij dit mysterie, maar blij gezind verder at met de mededeling: ‘Ahja, dat is de klok van oma en opa. Die jij zo graag wilde.’

Hij heeft zijn radertjes op een rij, onze kleinzoon.

Bedankt, Rita en Jan!

Moeders en halve wezen

Een droevig bericht kwam naar mij vandaag en het greep me kerstachtig vreemd en emotioneel de keel snoerend aan. Zwaan haar mama is gestorven en dat ploft diep in mijn hart.

Zwaan is een vriendin die klaterende elegantie om zich heen strooit zonder dat zichtbaar te beseffen. Ze is ook even slim als duizend vluchten zwanen, samengetroept op een broeierige zomerse duin zonder er evenwel mee te koop te lopen. Maar nu is ze ook een halve wees.

Het verraste me toch hoe mijn gemoed vol schoot op minder dan een seconde en het zette me enkele uren aan het denken. Nu denk ik te weten waar die existentiële pijn vandaan komt. Het is de pijn om het verdriet van kinderen die een ouder moeten afgeven en hierdoor een trede naar beneden schieten op de piramide. Recht naar het hol van de oubollen. Wees word je pas als de tijd je kan te grazen nemen.

Het breidt uit, dat gevoel van pijn om verdriet van. Naar het besef dat mijn kinderen het ook ooit gaan voelen en dat ik er dan niet meer zal zijn om hun bekommernissen luid weg te lachen. Af en toe overvalt me die machteloze, maar ook zeer levens-natuurlijke angst. We zijn hier maar even en denken af en toe een imperium te hebben opgebouwd. Af en toe weten we gelukkig wel weer dat we de weg naar onthechting moeten bewandelen. Want niets blijft duren. Alleen de pijn, vlak naast het geluk.

Mijn vader is een tovenaar, ’t is echt, ’t is heus, ’t is raar maar waar.

Hij heeft het ook aan mij geleerd. Maar gaat het niet zoals ik wil dan doe ik DIT en alles staat stil.

Ik ben boos en niet zo’n klein beetje. Want sommige mensen deugen niet. Bij het begin van de Crisissen maakten mijn vrienden, kinderen en ik een bezwerende afspraak (zie het gebaar van de kleine TiTaTovenaar). DIT gaan we dus NIET doen.

Wat dan?

Verzwijgen dat we mogelijkerwijze besmet zijn. Als gevaccineerde. Na een hoogrisicocontact.

Het gebeurt wel in mijn directe omgeving, dat verzwijgen, verdoezelen, beliegen, verdonkeremanen. Niet bij mijn kinderen of vrienden. Neen, die hebben gelukkig tot nadere orde een ethische lijn door hun buik lopen.

Maar het gebeurde dus vandaag, dat ik dat ‘stoemelings’ te weten kwam. Dat sommige mensen alleen aan zichzelf denken. Uit domheid wellicht. Of uit egoïsme. Of wegens een onnozel kosmisch foutje.

Dit lijkt me nog valser te zijn dan een demonstratie van rechtse heethoofden die een massa mensen weten te ‘verschalken’.

Bovenal maakt het me droevig. Dat ik als onnozelaartje in volle vertrouwen plaatsnam naast zo iemand die dat vieze geheim onder de oksels droeg. Omdat je dat voorlopig nog niet kon GELOVEN. Dat iemand je zo Gollum-gewijs kon beliegen.

Het is vanaf nu dat ik, Joël de Ceulaer volgende, nog uitsluitend met een FFP2 masker in de buitenwereld zal komen.