Boem Paukeslag

En toen gebeurde het. Als een uitschuiver van formaat en zonder geluid. Je hart houdt halt, je vermant je maar staat als een trommelstok te verstijven. Je ziet hoe je kleinzoon zich misrekent bij de afdaling van de fauteuil en voorover knalt op het tapijt. Rapper dan een rat in de val grijp je hem vast en je ziet hoe hij verkrampt in een stille kreet: mond wijd open en urenlange seconden lang zijn adem kwijt.

Je denkt dat zoiets niet gebeuren gaat, want je bent continu alert, laat hem geen moment alleen, tenzij hij slaapt en je voelt je bijzonder op je gemakje wanneer hij rond waggelt in de keuken. En dan paukt het ineens boemvol. Na enkele pozen wiegen en troosten, lacht hij alweer naar de kat. Hij valt niet flauw. Hij gaat niet braken. Zijn ogen staan fris.

Hij heeft een onnozele val gemaakt en ik voel me immens schuldig. Want je wilt niet dat hij zich pijn doet. Maar het gebeurt natuurlijk ooit wel. En je pijn doen, hoort bij het leven, zo moet mijn tweede zoon me kalmerend wijsmaken om mijn tranen te stoppen, later op de dag, wanneer Sol heftig wuivend op de fiets van zijn papa uit mijn zicht verdwenen is.

Word ik oud? Dat ik dramatisch ga doen om iets wat niet te vermijden was? Ben ik mijn rationaliteit kwijt?

Ja. Ik word stilaan oud en poets af en toe mijn aangeboren theatraliteit nog op. Word een beetje radeloos en sta te grienen terwijl het allemaal al overgewaaid is. Vandaag kan ik weer relativeren, maar ik zag gisteren heel zichtbaar hoe groot mijn liefde voor kleine Sol is. Dat dit zich nu net grenzeloos openbaarde toen hij zich mistrapte, vind ik nieuw.

En mijn laag liefde is weer wat sterker geworden. Vernieuwd en gesuikerd en niet gesmolten door tranen.

 

Elektrisch getinte haren

Vreemde, bizarre fenomenen die wiskundig of via de fysica perfect kunnen worden verklaard, kunnen bij momenten mijn adem doen stokken en ik heb er, Kantiaans gesteld, geen ‘categorieën’ voor. Maar ze amuseren me zeer, zo af en toe. En zo ook die ene keer, toen ik mijn kleinzoon naast me in mijn grote springboxbed zag slapen en ik niet kon ophouden om naar hem te kijken en dat kwam niet alleen door zijn zoete geur die me zo goed als verdoofde, maar vooral door een zich voor mijn ogen ontplooiende haardynamiek die ik nog niet kende.

Hij sliep, Sol, hij sliep diep. Ik keek, ik, ik keek en zag. Tijdens zijn slaap begon zijn haar te leven. Zijn mooie, blonde, sluike, zachte haar begon op een vreemde manier te krullen vanuit zijn malse hals. De haartjes veranderden van recht naar gekrakeleerd, zodanig raar dat ik er bijna rechtop door ging zitten. Kwam het door zijn dromen, door zijn slaapzweet dat een weg zocht naar verdamping? Zijn haar begon wel te ‘breken’ en veranderde van sluik in wild geëlektrokuteerd.

Wanneer hij wakker wordt, dat zag ik natuurlijk al vaak, staat zijn haar in wilde plukken en vol kapsel-uitlachende constellaties omhoog en opzij; na een kwartier zakt die tijdelijkheid weer in de plooi, op hetzelfde ogenblik dat zijn ogen de kruising tussen verwarring en alertheid hebben overwonnen.

Waar komt die haar-elektriciteit vandaan? De aanblik ervan werkt elke keer steevast op mijn lachspieren, want geen peuter heeft in wakkere toestand zachter hangend haar dan Sol. Ik mag dat niet te weten komen, want het hoort bij zijn mysterie. Daar mag de verwondering ook blijvend naast wandelen. Waag het niet om met een verklaring te komen aandraven: ik zal alle argumenten weerleggen, tegen geen enig beter weten in.

Sol slaapt elektrisch. Om zichzelf weer op te laden. Om de hele tijd, wanneer hij wakker is, heftig te kunnen wijzen naar alles in de wereld, met begeleidend verklarend gebrabbel. Mijn kleinzoon toont me zo de geheimen van droomwerelden. Die brengen de ontsluiering tot leven. Die laten ons stilstaan bij wat er mag en kan gedroomd worden

 

 

Helden van de vriendschap

Het is me nooit eerder overkomen, het stond niet in mijn woordenboek en ik verwachtte me er helemaal niet aan. Morgen word ik zestig en we -kinderen, vrienden, vriendinnen en ik- vierden dat reeds uitbundig in een zonniger seizoen: drie weken lang aten, praatten, lachten, wandelden, dronken en huilden we af en toe in een goed zuidelijk huis. Dus meende ik dat de echte dag rustig kon worden afgewerkt met een eenvoudig diner hier thuis, met de jongens, de schone dochters en de kleinzoon.

Tot mijn oudste me belde, enkele dagen geleden en meteen al mijn voelhorens werden geslepen als de scharen van Edward Scissorhands. Of ik zondag om 10 uur aan het MAS kon staan. Of ik toch zeker vrij had? Of ik ook een tasje met overnachtingsspullen mee kon brengen.

Ja, dat wordt leuk! Een bezoek aan de tentoonstelling van Vanfleteren, ergens lekker eten en babbelen en dan, ja, dan wat?

Niets is wat het lijkt, en zeker niet wanneer je compleet in de maling wordt genomen om voor de eerste maal gevierd te worden zoals je het nooit eerder meemaakte. Maar ik zit hier nu rustig thuis en heb al een potje gehuild, zeer veel nagelachen en denk toch: ‘Hoe kwam ik aan al die helden van de vriendschap?’

We brunchten natuurlijk gezellig, ik kreeg een geweldig cadeau, keek naar Sol die zich van zijn aimabelste kant liet kennen, de hele dag en viste af en toe en ving keer op keer bot.

Naar de stad kijken vanop het dak van het MAS, terrasje ‘doen’, tentoonstelling van Joachim bezoeken, leuke babbel met toevallige bekenden daar, maar dan gaapte er een gaatje. Laten we even naar jou thuis gaan, we moeten pas om 18 uur vertrekken, zei de tweede zoon en wat doe je dan? Juist: je volgt gedwee.

Tot je geblinddoekt wordt, net voor Destelbergen, zogenaamd om je de mond te snoeren wegens te veel gevraag en geïnsinueer en je raakt je oriëntatievermogen kwijt. Terwijl je die rit honderden keren reed, elke bocht kent en denkt ze wel door te hebben, de snoodaards.
Tot je eindelijk mag uitstappen en je de hoogte wordt ingeleid, trappen op, trappen op en je hoogtevrees maakt je bijna wanhopig, want je wilt niet ergens in de Leiestreek op een wachttoren gedropt worden (‘Ja, die stapschoenen, doe dat maar’, zei de oudste).

Er stond ineens een schilderij op mijn netvlies, dat niet klopte. Op het moment dat mijn blinddoek me werd afgenomen, zag ik dingen en mensen en allerlei wat me volledig in de war bracht. De man van mijn univ-vriendin zat pal voor me, naast vrienden van Gent en waarom dan? Ze kenden elkaar helemaal niet.

‘Kom even mee naar de slaapkamer’ zei Dieter, één van de Heren des Huizes en toen gilde ik het uit: op een bed lagen drie dode vriendinnen uit verschillende periodes van mijn leven. De kamer ernaast gaf eenzelfde beeld: drie vriendinnen die elkaar niet kennen en achter een andere deur sprongen er notabene nog enkele uit hun lieve vel om de verwarring volledig te maken.

Je kan dan de dingen niet meer aan elkaar haken, je snapt er de ballen van. Zeker wanneer er later nog gezichten opduiken (je zusje uit de Congo-periode met een antieke kaart van Belgisch Congo in de handen, Hassan en Kinan, die een heerlijk Syrisch buffet binnen dragen (Kinan, jij woont toch in IJsland??!!) en de redevoeringen over literatuur, filosofie, de op maat geschreven liederen, uit volle borst gezongen, de attenties, de wijn, de vriendschap, het gekonkelfoes, de wafels van Nadine aka Madame Nero, de tiramisu van Suske An, het achter de rug geregel. Jonas die zijn gitaar in de hand nam en betovering bracht, ook met mijn lievelingsnummer ‘White wing’, waardoor ik ging huilen in de armen van Tanja, die mijn huilen altijd kan opvangen.

Mijn vrienden zijn smeerlapjes van liefde. Mijn kinderen zijn onverwachte samenzweerders en ik heb me zelden zo geliefd gevoeld. En het is nog niet gaan liggen, na het gezellige ontbijt vanochtend met iedereen die terug aan de dis schoof, dat gevoel van liefde. En omdat ik voor de eerste maal geen woorden meer had, zeg ik het nu maar: dit was zonder twijfel mijn mooiste verjaardag ooit.

Maar! Pas morgen verjaar ik. Ik heb geen nood meer aan wensen, aan bezoek, aan bloemen: ik kreeg het allemaal al.
Morgen ga ik rustig wandelen met mijn kleinzon Sol in de Zoo. Want we houden beiden veel van naar dieren kijken en hij wordt er extatisch van. Ik ga naar hem kijken. Meer mag er niet meer bij komen of ik barst.

 

https://jonasmeersmans.bandcamp.com/track/whitewing

 

Verkeersagressie: één bravouremeisje down, down, down.

Ik ben een parkeerkei. Een kei in parkeren. Vraag het maar aan Bart V., die in luid lachen uitbarstte, bijna wel heel zeer lang geleden, toen ik vlakbij de Blandijnberg in Gent mijn auto met één centimeter vooraan en anderhalve centimeter achteraan tussen twee monoliete auto’s walste. Omdat we op tijd wilden arriveren in een les van professor Freddy Mortier.

Ja, het klinkt flauw, maar het is wel zo. Ik doe het bijna elke dag. Manoeuvreren en parkeren en voluit lachen omdat het me gewoon àltijd lukt.

Maar enkele weken geleden kreeg ik of het een staartje. Want ik draaide mijn stuur en gleed in een krappe plek voor mijn winkeltje aan de Diksmuidelaan. En toen gebeurde er het volgende:

Iemand (of, uitgebreider: een patser) klopte met zijn volle handpalmen op mijn raam en brulde allerlei, waarbij het woord ‘debiel’ mijn voelhorens activeerde. Hij stond wild en zeer agressief te gebaren en riep een kermis van verwensingen naar mijn hoofd omdat ik volgens hem dacht in de ‘botsauto’s te zitten’.

Ik ben altijd bereid om verzekeringen ‘aan te spreken’, beschaafd te praten om dingen correct af te handelen. Maar wanneer een jong iemand je beticht van dingen die niet gebeurd zijn en je geen flauw idee hebt waarom hij dit doet, dan blijf je kil en koel rond je hart en word je zeer uitzonderlijk: angstig.

De kerel wapperde met handen en woorden die alle richtingen uit gingen en er kwam een oerinstinct om de hoek kijken. Dit klopt niet, dit is zeer fout. Ik weet dat omstaanders je niet helpen bij problematische situaties en ohjee, hij gaat alleen maar in overdrive.

Even helder blijven en toch maar checken of ik geen blunder maakte, maar neen. Ik zie alleen maar een onbeschadigde achterbumper van mijn prachtige Saab en word nu dus pas écht bang. Wat te doen als ik hier niet alleen verbaal, maar ook écht word aangevallen?

De kerel blijft dreigende taal uitbrauwen en in het midden van mijn buikbrein stijgt er een duidelijke boodschap omhoog. MAAK JE UIT DE VOETEN.

Agressie. Ruzies. Bedreigingen. Ze horen niet thuis in mijn wereld en ik studeerde ook wel wat psychologie. Genoeg om te weten dat omstaanders je nooit helpen (oh, Kitty Genovese!). Oververzekerd, wettelijk bijzonder goed beschermd, beslis ik: ik moet hier gewoon weg, de kerel wil niet eens zeggen wat er aan de hand is, maar dreigt gewoon: hij DREIGT me gewoon af.

Dus neem ik opnieuw plaats achter het stuur, verwens hem met een vilein ‘Salut! en maak me uit de voeten.

NOOIT doen. Zo’n onverlaat zou je vluchtmisbruik kunnen aanwrijven. Tenzij er geen enkele nadruk van vermeend ongeval is. Dan noteert een intelligente inspecteur van politie je woorden en begeleidt hij je naar je auto, waar hij uiteraard wel enkele foto’s van je onbeschadigde bumper maakt. Hij wenst je een zeer gelukkige verjaardag, met je kinderen, twee dagen vol verrassing en plezier. En hij drukt je nog heel even op het hart om ook je verzekeringsmakelaar op de hoogte te brengen van je angst voor represailles van die enge man.

Want. Angst essen Seele auf.

Het aanvoelen van het niet voelen van

Toen ze zich omdraaide. De kamer in liep en de gedachten ‘zal ik het haar zeggen, ik zeg het haar, neen, ik zeg het niet’ door zijn hoofd waaiden, door zijn moment dwarrelden, heftig en simultaan dansend met de lichte zandstorm, nauwelijks en pas hoorbaar begonnen in de duinen naast het huis. Net wanneer hij het zich realiseerde en ze haar ongelijke tanden met nog één melktandje ertussen wijd bloot lachte maar ze zich omdraaide en de kamer in wandelde. Met haar gebruinde lange benen en haar warrige hoofd.

Toen hij pas wist en het wist, net omdat ze zich omdraaide nadat hij haar handen had losgelaten met een ongewild gevoel van zwaarte. Toen hij de som van de rekeningen zonder lineaal afgetekend zag langs de rand van het raam. Toen hij eindelijk wist wat het was wat hij voelde, elke keer wanneer ze naar hem lachte zonder verwachtingen.

Toen hij zich realiseerde waar hun vrijblijvend rond elkaar heen fladderen naartoe was geracet, toen was het voor hem nauwelijks net op tijd. Dit overkwam hem nooit en dus was hij er niet op bedacht maar nu, nu klonken er geen blije klokken in zijn oren. De lichtzinnige vrijheid draaide zonder verwittiging prikkeldraad rond zijn gevoelens en hij zat vastgeklonken in de val van alle prooien.

Toen kwam er een vreemde, voorheen met succes bedwongen stroom op gang. In zijn lichaam tintelden alle kussen en aanrakingen en haar zachte huid drong via haar geur in zijn gespannen onderbuik en toen wist hij het.

Toen hij haar vroeg of ze zou blijven en ze antwoordde: ‘Je weet toch ook dat mijn leven zich in Brussel afspeelt?’ en zijn hoop begon te bevriezen, toen voelde hij aan wat zij niet voelde.

Toen wist hij dat ze niet voelde wat hij voelde en dat had hij haarfijn aangevoeld.

Soms is het beter om niet te voelen wat je kan aanvoelen.

Soms is het best om niet aan te voelen wat een ander voelt.

 

Ik heb geen graf.

Er is nergens een graf om te bezoeken. Er was er ooit één, maar nu niet meer, wegens te oud en ‘opgedoekt’ en neergedaald in een knekelhof. Vele graven bezocht ik, op zonnige reizen. Want kerkhoven zijn bijzondere plaatsen, waar je stiller gaat wandelen en nadenken. Camus, Chopin, Montand, Oscar Wilde, Jim Morrison, Pessoa, velen, oh zo velen, van hen bezocht ik natuurlijk het graf. Maar vandaag wilde ik maar naar één graf en ik kan niet gaan. Gewoon: want het is er niet meer.

Het graf van mijn moeder was een stuk herkomstgrond. Een perceel waar mijn oorsprong lag dat ik maandelijks rustig versierde met licht en bloemen en nu kan dat niet meer.

Mijn herkomst is diffuus en het zal wel met alles zo zijn: het vervliegt en vergaat en is nooit eeuwig. Mijn vader heeft geen graf. Zijn as werd verstrooid in Lochristi en het werd mijn zus en broer en mezelf verboden om daarbij aanwezig te zijn. Door een zwartgeklede pinguin van een begrafenisonderneming. Hoe arrogant kan men zijn? Om iemands kinderen te weigeren om bij de asverstrooiing van hun vader aanwezig te zijn? Op een zenuwachtige, dwingende wijze alsof de kermisattracties zullen instorten wanneer je het door nitwits opgetrokken ijzeren gordijn opzij zou willen schuiven?

We keken er toentertijd niet eens van op. Maar jaren later denk ik: ‘Gebeurde dit nu écht?’. De pers stond te dringen om een woord van ons los te peuteren maar al wat ik kon doen, was de arm van mijn toenmalig lief kapot knijpen. Mijn kinderen aandachtig in de smiezen houden, want ja, mijn kinderen, die hadden hem ook wel ontmoet en hun gevoelens over die vreemde man, daar kon ik nauwelijks hoogte van krijgen.

Mijn lief en ik vertrokken bijna meteen en nadien, na die zwartesporenslag,  naar een réfuge aan de Opaalkust, waar lieve vrienden ons gastronomisch en emotioneel verwenden, zodat we ’s nachts rustig als lepeltjes in slaap konden sukkelen.

Ik slaap sindsdien als een lepel met zwartgeblakerde randen. Omdat oneerlijkheid me zeer donker voor de ogen staat op elke eerste november. Want waar haal je in hemelsnaam het recht vandaan om iemands kinderen het recht te ontzeggen om hun vaders as mee te verstrooien? Eerlijk? Echt?

Schnitzel with noedels!

 

 

 

Blokfluitgeluid

Hij schatert het luidst wanneer ik op de kleine, onnozele topaasblauwe speelgoedtrompet blaas. Trommelt als een doorwinterde drummer op alles wat hij onder zijn handen krijgt. Met houten lepels, het zeer oude Zwitsal-vorkje van zijn vader, op borden, omgekeerde potdeksels, mijn knie. En wanneer ik op de blokfluit speel, luistert hij aandachtig maar tegelijkertijd quasi ongeïnteresseerd.

Je reikt heel wat dingen aan, wanneer je je kleinzoon een hele dag bij je mag hebben. En omdat er nogal wat muzikaliteit in zijn genen huist, kocht ik natuurlijk een klein orkest waar hij naar believen mee mag spelevaren.

Maar blazen, dat is iets wat niet zo simpel is. Wanneer kan een kind eigenlijk echt blazen door een rietje? Geen idee. Sol zette alle blaasinstrumenten al aan zijn mond, zonder enig resultaat. Het is hier allemaal aanwezig en vandaag draaide ik me om, terwijl ik zijn groentenkostje met zachte kruiden oplekkerde omdat ik het voor het eerst hoorde.

Hij zat heel rustig in de woonkamer te spelen en zal op zijn heel eigen ritme de blokfluit hebben vastgenomen en daar, ineens, zonder dat ik het verwachtte, klonk het aarzelend, maar dan zeer vol door mijn huis. Zijn eerste blokfluitgeluid.

Ik liet mijn lepel rusten. Wilde niet reageren, omdat het vooral zijn moment was. En het klonk nieuwer dan het gezang van de allereerste nachtegaal. Plastieken blokfluitgeluiden kunnen Brandenburgs klinken. Er hangt lucht in mijn huis. Geluid en klank en de erfenis van Capability Brown.

Dinsdagen zijn sinds kort mijn deur naar openheid en eenvoud. Niets is zo revelerend als wat kinderen ons steeds opnieuw leren: stappen zetten opent je oren en je hart.